RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6347
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ophouding
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn ophouding niet op de juiste grondslag berust. Eiser heeft namelijk rechtmatig verblijf op basis van zijn asielaanvraag.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser na overdracht door de Zwitserse autoriteiten is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Deze grondslag is van toepassing op vreemdelingen van wie de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld en die geen rechtmatig verblijf hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van de ophouding geen rechtmatig verblijf had. Eiser heeft op 29 november 2022 namelijk een terugkeerbesluit gekregen en niet is gebleken dat eiser daarna de Europese Unie heeft verlaten. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser bij het aanvangen van de ophouding rechtmatig verblijf had. Eiser heeft zijn asielaanvraag namelijk pas tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Onzorgvuldige voorbereiding
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder in strijd met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1898) heeft gehandeld en dat de bewaringsmaatregel hiermee onzorgvuldig is voorbereid. Eiser is namelijk op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw in bewaring gesteld omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Het gehoor en de motivering van de gronden en het lichter middel in de bewaringsmaatregel spitst zich echter toe op het risico dat eiser niet uit eigen beweging terugkeert naar zijn land van herkomst. Het gehoor en de maatregel zijn hierdoor niet te relateren aan de asielaanvraag.
4. De rechtbank stelt vast dat uit haar systeem blijkt dat er hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak waar eiser naar verwijst. Bovendien gaat het om een enkele uitspraak van een lagere rechtbank. Ook los daarvan geldt echter dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het gehoor en de motivering van de bewaringsmaatregel in strijd zijn met de uitspraak. Daarbij acht zij van belang dat eiser pas tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel zijn asielwens heeft geuit en dat de verbalisant vervolgens direct het formulier M35H aan eiser heeft laten zien, heeft toegelicht, en heeft laten ondertekenen. Daarnaast heeft de verbalisant ook gevraagd welke nationaliteit eiser heeft, of eiser documenten heeft, waar zijn paspoort is en of eiser handelingen heeft verricht om aan een vervangend identificerend document te komen. Dit zijn relevante vragen voor de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Niet valt in te zien dat de verbalisant niet heeft begrepen dat er voor verschillende bewaringsgrondslagen specifieke vereisten gelden.
5. De rechtbank volgt eiser verder ook niet in zijn standpunt dat de bewaringsmaatregel onzorgvuldig is voorbereid omdat deze zich toespitst op het risico dat eiser niet uit eigen beweging terugkeert naar zijn land van herkomst. In de maatregel wordt weliswaar genoemd dat het risico bestaat dat eiser de voorbereidingen van vertrek zal ontwijken, maar er wordt ook gesproken over het risico op onttrekking, het risico dat eiser zich aan het toezicht onttrekt of het risico dat eiser niet traceerbaar is, hetgeen relevant is voor de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
6. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsmaatregel en gronden
7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware en lichte gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Informatieplicht / zicht op uitzetting
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn informatieplicht zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Daartoe voert eiser enerzijds aan dat verweerder een groot aantal (oude) stukken heeft ingebracht die slechts zijdelings op de inbewaringstelling zien, en verweerder anderzijds heeft nagelaten relevante stukken over te leggen. Zo heeft verweerder geen stukken overgelegd waaruit blijkt of er zicht op uitzetting is, of waaruit blijkt hoe het onderzoek naar eisers nationaliteit en identiteit verloopt, hetgeen volgens eiser vereist is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Daarnaast heeft verweerder nagelaten om stukken te overleggen over de status van eisers asielaanvraag zodat ook niet kan worden gecontroleerd of aan de vereisten van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw wordt voldaan.
10. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 8:42 van de Awb volgt dat het aan verweerder is om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan en beschikt de rechtbank over voldoende informatie en stukken om de rechtmatigheid van de bewaring te kunnen beoordelen en om te kunnen beoordelen of aan de vereisten van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw wordt voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder onvoldoende documenten heeft overgelegd om te controleren of er sprake is van zicht op uitzetting, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1553) en 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2194), waaruit volgt dat, anders dan eiser lijkt te stellen, zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor een bewaringsmaatregel krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder onvoldoende documenten heeft overgelegd om te toetsen of de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw kon worden opgelegd overweegt de rechtbank dat uit de bewaringsmaatregel en het dossier volgt dat eiser geen documenten heeft overgelegd en dat zijn identiteit en nationaliteit daarom met onvoldoende zekerheid bekend is. Gelet hierop, in samenhang bezien met het risico op onttrekking zoals overwogen in overweging 8, kan de bewaringsmaatregel worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Ten aanzien van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4011) waaruit volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht – door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden – ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. Gelet op hetgeen in overweging 8 is overwogen kon de bewaringsmaatregel daarom ook gebaseerd worden op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank volgt eiser gelet op het voorgaande niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende stukken heeft overgelegd om te controleren of de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b, van de Vw mocht worden opgelegd.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld doordat niet bekend is hoe de asielprocedure van eiser verloopt, overweegt de rechtbank dat verweerder op de zitting heeft gesteld dat er op 16 februari 2026 een aanmeldgehoor en op 18 februari 2026 een nader gehoor gepland staat. Het voornemen staat op 20 februari 2026 gepland en de beslissing zal daarna volgen. Verweerder heeft ook gesteld dat deze informatie pas op de dag van de zitting bekend is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld en kan, gelet op de omstandigheid dat de informatie niet eerder bekend was, verweerder niet worden tegengeworpen dat deze informatie niet eerder aan het dossier is toegevoegd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiseres of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.