RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9128
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
Procesverloop
1. De minister heeft op 1 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hierop heeft eiser gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 24 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 16 januari 2026.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser betoogt dat hij inmiddels vijf en een halve maand in vreemdelingenbewaring verblijft zonder vooruitzicht op uitzetting. De lp-aanvraag loopt nagenoeg vijf maanden, maar vooruitgang wordt niet geboekt. De maatregel is slechts voor korte duur onderbroken geweest en de minister heeft gewoon door kunnen gaan met uitzettingshandelingen. Daarom kan er niet opnieuw worden geteld vanaf 1 november 2025. Ook voert eiser aan dat de rappels en vertrekgesprekken plichtmatig plaatsvinden. Eiser is steeds verschenen op de vertrekgesprekken en heeft een coöperatieve houding. Zo heeft hij tijdens het vertrekgesprek van 5 februari 2025 aangegeven dat hij gaat kijken of hij contact kan opnemen met het Marokkaanse consulaat. Uit voornoemd vertrekgesprek blijkt ook dat eiser medische klachten heeft. Deze klachten heeft hij al sinds de aanvang van de vreemdelingenbewaring. Tot slot betoogt eiser dat door de minister onvoldoende voortvarend wordt gehandeld.
Beoordeling rechtbank
5. De beroepsgronden slagen niet. Allereerst stelt de rechtbank het volgende vast. Eiser is, na een eerdere inbewaringstelling en een daaropvolgende strafrechtelijke detentie, op 1 november 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld. Vanaf die datum is de termijn van zes maanden in het kader van een verlengingsbesluit opnieuw gaan lopen. Een verlengingsbesluit is nog niet aan de orde, omdat onderhavige vreemdelingenbewaring nog geen zes maanden voortduurt. Als sprake is van een aaneengesloten (vreemdeling- en strafrechtelijke) detentieperiode van zes maanden, is de minister gehouden om een kenbare verzwaarde belangenafweging te maken. Eiser verblijft vanaf 5 september 2025 weliswaar aaneengesloten in vreemdeling- en strafrechtelijke detentie, maar er is nog geen sprake van een aaneengesloten periode van zes maanden.
In de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet in onderhavige procedure geen aanleiding voor een ander oordeel. De op 3 oktober 2025 aan de Marokkaanse autoriteiten verzonden lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat Marokko geen lp aan eiser zal afgeven. Daar komt bij dat eiser niet volledig meewerkt, waardoor het zicht op uitzetting in beginsel is gegeven. Het enkele feit dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 5 februari 2026 heeft aangegeven dat hij eerst contact met zijn familie gaat opnemen, hetgeen hij tijdens het vertrekgesprek van 6 januari 2026 ook al heeft toegezegd, en daarna gaat proberen om te bellen met het Marokkaanse consulaat, maakt niet dat sprake is van een actieve coöperatieve houding.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Zo is er op 29 januari 2026 schriftelijk gerappelleerd. Gelet op de duur van het lp-traject ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister op dit moment gehouden is om extra uitzettingshandelingen te verrichten. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat op 5 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Uit de enkele beroepsgrond dat eiser medische klachten heeft blijkt, zonder nadere onderbouwing, niet dat de beschikbare zorg in detentie voor hem niet toereikend is. Ook is niet gebleken dat eiser niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, of dat zijn medische situatie door gebrek aan zorg zou verslechteren.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.