RECHTBANK DEN HAAG
Afwijzing machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel
[betrokkene] ,
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/698615 / FA RK 26-901
Datum beschikking: 2 februari 2026
Beschikking naar aanleiding van het op 30 januari 2026 door de officier van justitie ingediende verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in het [ziekenhuis] te [plaats] ,
advocaat: mr. L.S.J. de Korte te Den Haag.
Procesverloop
Bij verzoekschrift heeft de officier van justitie verzocht om voortzetting van de op 29 januari 2026 genomen crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een blanco uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een afschrift van de politiemutaties.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk Farsi (telefonisch);
- de psychiater van het ziekenhuis, de heer [naam 2] ;
- de behandelend arts van het ziekenhuis, mevrouw [naam 3] .
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.
Standpunten ter zitting
De advocaat heeft toegelicht dat het de bedoeling is dat betrokkene wordt overgeplaatst naar de afdeling geriatrie van Parnassia, maar dat daar momenteel sprake is van een tekort aan bedden. De advocaat geeft aan dat betrokkene overal aan wil meewerken en ook bereid is medicatie in te nemen. Tegelijkertijd merkt de advocaat op dat uit de stukken blijkt dat deze bereidheid mogelijk een momentopname is.
De psychiater van het ziekenhuis heeft aangegeven wel als bron van informatie te kunnen dienen met betrekking tot de huidige toestand van betrokkene, maar dat het huidige behandelteam niet betrokken zal zijn bij de verdere behandeling van betrokkene na ontslag uit het ziekenhuis. De psychiater van het ziekenhuis geeft aan dat nog onduidelijk is of over enkele dagen, bij ontslag vanuit het ziekenhuis, een plek beschikbaar zal zijn bij Parnassia. Ook geeft hij aan dat het ziekenhuis niet degene is die de crisismaatregel ten uitvoer zal leggen.
De behandelend arts van het ziekenhuis heeft aangegeven dat betrokkene op 2 januari 2026 is binnengekomen in het ziekenhuis na een val in huis. Hij was algeheel verzwakt en verwaarloosd. In het ziekenhuis zijn er meerdere agressie-incidenten geweest. De behandeld arts van het ziekenhuis geeft aan duidelijke aanwijzingen te zien voor al langer bestaande cognitieve stoornissen, maar dat dat mogelijk ook een nasleep zou kunnen zijn van een delier als gevolg van de urineweginfectie van betrokkene.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij de totstandkoming van Wvggz-maatregelen zoals de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, speelt informatie die door medici wordt aangedragen een cruciale rol. De rechter heeft, naast de informatie uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken, de mogelijkheid om zich ter zitting te laten voorlichten. Bij de behandeling ter zitting moet de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene worden getoetst en de rechter kan bepaalde personen – zoals de zorgverantwoordelijke – verplichten te verschijnen.
Ondanks dat Parnassia voor de mondelinge behandeling tijdig en behoorlijk is opgeroepen, is er tijdens de zitting niemand namens Parnassia verschenen. Hoewel de behandelend arts ter zitting heeft aangegeven dat er aanwijzingen zijn voor al langer bestaande cognitieve stoornissen, en dit ook benoemd wordt in de medische verklaring die door de onafhankelijk psychiater is opgesteld, was een nadere gegevensverstrekking door Parnassia met betrekking tot de (voorlopige) diagnose en het plan van aanpak onmisbaar, zodat de rechtbank (en de advocaat) voldoende geïnformeerd zou zijn over het verdere verloop van de behandeling. Dit geldt temeer nu Parnassia als zorgaanbieder door de burgemeester belast is met de uitvoering van de crisismaatregel. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat de psychiater van het ziekenhuis tijdens de zitting verklaarde dat onduidelijk is of er na ontslag vanuit het ziekenhuis een plek beschikbaar is voor betrokkene bij Parnassia, en er ook geen overleg is tussen het ziekenhuis en Parnassia met betrekking tot de vervolgstappen.
De rechtbank ziet geen aanleiding de zitting aan te houden om Parnassia te verplichten te verschijnen voor een nadere toelichting, omdat daarmee immers vrijwel zeker de uiterste termijn waarbinnen de rechtbank ingevolge artikel 7:8, lid 3, Wvggz dient te beslissen, zijnde drie dagen na ontvangst van een verzoekschrift, zou worden overschreden, waarmee ook - op grond van artikel 7:5, sub a, Wvggz - de geldigheidsduur van de crisismaatregel zelf zou komen te vervallen. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het opnieuw oproepen van Parnassia vanuit juridisch oogpunt bezien geen betekenis meer zou hebben.
Nu in rechte niet is komen vast te staan of er sprake is van een psychische stoornis, is de rechtbank van oordeel dat de daarmee bestaande onduidelijkheid op dit punt niet ten nadele van betrokkene mag strekken. De rechtbank zal het verzoek tot het verlenen van een voortzetting van de crisismaatregel daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.