[naam], verzoeker,
geboren op [geboortedatum],
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Kana).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de voorgenomen overdracht in het kader van de Dublinverordening.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich in deze zaak die situatie voor, omdat de feitelijke overdracht staat gepland voor 26 februari 2026.
Feitelijke overdracht
3. Bij besluit van 7 januari 2026 is de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Bij uitspraak van 6 februari 2026 is het hiertegen ingestelde beroep door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, ongegrond verklaard. Niet is gebleken dat verzoeker hiertegen een verzetschrift heeft ingediend.
Aanvankelijk stond de overdracht gepland op 19 februari 2026. Niet is gebleken dat verzoeker daartegen bezwaar heeft gemaakt. Vanwege een suïcidepoging door verzoeker heeft die overdracht niet plaatsgevonden. Wel is op 18 februari 2026 aan de gemachtigde van verzoeker aangegeven dat de week daarop alsnog een vlucht zou worden geregeld.
Met de kennisgeving van 24 februari 2026 heeft de minister aangegeven dat verzoeker op 26 februari 2026 in het kader van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Zwitserland. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij op 25 februari 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij het ingediende bezwaar tegen de feitelijke overdracht in Nederland wenst af te wachten.
Het bezwaar van verzoeker is gericht tegen de feitelijke overdracht, een handeling van verweerder die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw met een besluit gelijk is gesteld.
Gronden
4. Verzoeker voert allereerst aan dat de kennisgeving van de overdracht te laat aan zijn gemachtigde is toegezonden, omdat dit pas op 24 februari 2026 is gebeurd. Doorgaans gebeurt dit in ieder geval vijf dagen voor de geplande overdracht, zodat de gemachtigde de vreemdeling hierop kan voorbereiden of de nodige rechtsmiddelen kan indienen in het kader van de overdracht.
Daarnaast voert verzoeker aan dat er sprake is van een zeer acuut verhoogd risico op suïcide bij een voorgenomen overdracht. Ter onderbouwing hiervan wijst verzoeker op een brief van 24 februari 2026 van Kleur GGZ. Bij een eerdere geplande overdracht vorige week heeft verzoeker een suïcidepoging ondernomen waardoor hij moest worden opgenomen op de intensive care van het ziekenhuis. Nu uit de brief van Kleur GGZ volgt dat er sprake is van een verhoogd suïciderisico, stelt verzoeker zich op het standpunt dat moet worden afgezien van de voorgenomen overdracht aan Zwitserland.
Tot slot stelt verzoeker zich op het standpunt dat niet is gebleken van extra zorgvuldigheid in de vorm van medische begeleiding bij de overdracht of een fit-to-fly verklaring. Dit maakt dat het besluit tot overdracht onzorgvuldig tot stand is gekomen, en kan het niet in stand blijven.
Verweer
5. De minister heeft 25 februari 2026 een verweerschrift ingediend en zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Volgens de minister gaat het om een gefaciliteerd, vrijwillig vertrek naar Zwitserland. De minister verwacht weliswaar van verzoeker dat hij meewerkt aan zijn vertrek maar indien verzoeker ervoor kiest om op die datum niet in de taxi te stappen, is er geen sprake van een sterke arm die verzoeker alsnog zal dwingen te vertrekken. Verzoeker heeft dus zelf in de hand of zijn overdracht op 26 februari 2026 plaatsvindt. Daar komt bij dat verzoeker tijdens het vertrekgesprek van 29 januari 2026 heeft aangegeven dat hij zal meewerken aan de overdracht wanneer het beroep ongegrond verklaard wordt.
Oordeel van de voorzieningenrechter
6. De voorzieningenrechter stelt op basis van het verweerschrift vast dat de minister op dit moment geen voornemens heeft om verzoeker gedwongen over te dragen. De vluchtaanzegging ziet blijkens het vertrekgesprek van 31 januari 2026 en het verweerschrift uitsluitend op het faciliteren van een vrijwillig vertrek naar Zwitserland. De minister heeft in het verweerschrift bevestigd dat verzoeker niet gedwongen zal worden uitgezet op 26 februari 2026 als hij besluit om niet mee te werken. De voorzieningenrechter overweegt dat dit betekent dat verzoeker zelf in de hand heeft of de overdracht daadwerkelijk op die datum plaatsvindt. Verzoeker heeft daarnaast in het vertrekgesprek aangegeven vrijwillig te willen meewerken aan de overdracht. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter niet in welk spoedeisend belang verzoeker heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
7. Daarbij komt dat verzoeker geen verzetschrift heeft ingediend tegen de uitspraak van 6 februari 2026, waarbij het beroep tegen het besluit de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling te nemen. Ook hieruit blijkt niet dat verzoeker zich verzet tegen de overdracht. Dat de verzetstermijn nog niet is verstreken doet daar niet aan af. Ook betrekt de voorzieningenrechter bij haar oordeel dat niet is gebleken dat verzoeker rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de eerder voorgenomen overdracht op 19 februari 2026. Ook daarom ziet de voorzieningenrechter geen reden om tot het oordeel te komen dat verzoeker thans een spoedeisend belang heeft.
8. Hoewel het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang, zal de voorzieningenrechter ingaan op dat wat verzoeker voor het overige heeft aangevoerd.
9. Het betoog van verzoeker dat de kennisgeving van de overdracht te laat aan zijn gemachtigde is toegezonden volgt de voorzieningenrechter niet. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat er op 18 februari 2026 telefonisch contact is geweest tussen de gemachtigde van verzoeker en de regievoerder van DT&V. De gemachtigde van verzoeker heeft de regievoerder gebeld met de mededeling dat de oorspronkelijke overdracht van
19 februari 2026 niet door kon gaan omdat verzoeker wegens een suïcidepoging in het ziekenhuis lag. De regievoerder heeft toen aangegeven dat er de volgende week, dus de week na 18 februari 2026, opnieuw een vlucht gepland zal worden voor verzoeker en dat de gemachtigde een bericht zal krijgen zodra de vluchtgegevens bekend worden. Dat betekent dat verzoeker eerder op de hoogte was van de voorgenomen overdracht en niet pas op 24 februari 2026. Het betoog van verzoeker dat hij zich niet op het vertrek heeft kunnen voorbereiden volgt de voorzieningenrechter daarom niet.
10. Ten aanzien van de door verzoeker overgelegde brief van Kleur GGZ overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Hoewel uit de brief volgt dat er, gezien de voorgeschiedenis van verzoeker, bij de geplande overdracht een verhoogd risico is op suïcidaal gedrag bestaat, volgt uit de brief ook dat de behandelaar het in het belang van verzoeker acht dat met deze psychische kwetsbaarheid rekening wordt gehouden in het kader van de overdracht. Anders dan verzoeker stelt heeft de minister in het kader van de geplande overdracht in het verweerschrift vermeld dat de regievoerder heeft aangegeven dat ter bescherming van verzoeker een verpleegkundige bij de overdracht aanwezig zal zijn. Op 18 februari 2026 is een verzoek is ingediend bij Dutch Medical Group voor een medisch escort die verzoeker op 26 februari 2026 naar Zwitserland zal begeleiden. Ook gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verzoeker een spoedeisend belang heeft.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.