ECLI:NL:RBDHA:2026:3799

ECLI:NL:RBDHA:2026:3799

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 09-170020-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verkeersongeval met dodelijke afloop. Veroordeling voor overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 wegens zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen van de verdachte en artikel 7 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, en een ontzegging van de motorrijbevoegdheid voor de duur van drie jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de kosten voor een psycholoog en affectieschade worden toegewezen. De vorderingen tot vergoeding van shockschade worden gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09-170020-25

Datum uitspraak: 26 februari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1989 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),

op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 november 2025 (pro forma) en 12 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Roosma en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.T.C. Castermans naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 3 juni 2025 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Diamanthorst en/of de Reigersbergenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:hij, verdachte- heeft (in de nachtelijke uren) deelgenomen aan het verkeer terwijl hij wist dat hij (zeer) vermoeid en/of slaperig was en/of- heeft gereden met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of- is tijdens het besturen van het motorrijtuig in slaap gevallen en/of- heeft zijn aandacht niet voortdurend en/of voldoende op die weg en/of die zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers gehad en/of gehouden, en/of- is (daarbij/vervolgens) geheel of gedeeltelijk met zijn motorrijtuig terecht gekomen op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer en/of het trottoir en/of- heeft zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een aldaar overstekende en/of wandelende voetganger (te weten [het slachtoffer] ), waardoor een ander (genaamd [het slachtoffer] ) werd gedood;

2hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in 's-Gravenhage op/aan de Diamanthorst en/of de Reigersbergenweg, op of omstreeks 3 juni 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,- terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [het slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten, en/of- terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [het slachtoffer] ) is gedood en/of letsel is toegebracht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit bepleit en heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat hij vrijgesproken moet worden van het tenlastegelegde onderdeel “wist”.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Het slachtoffer [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ) wordt op 3 juni 2025 omstreeks 05:12 uur zwaargewond aangetroffen op de Diamanthorst in Den Haag. Hij overlijdt kort daarna, in het bijzijn van zijn vrouw en dochter, in het ziekenhuis. De verdachte heeft bekend dat hij die ochtend met zijn auto iets heeft aangereden op de Diamanthorst. Dat het overlijden van [het slachtoffer] past bij een aanrijding blijkt uit het pathologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut. Uit dat onderzoek volgt dat het overlijden van [het slachtoffer] zonder meer kan worden verklaard door een uitgebreide krachtsinwerking ten gevolge van een aanrijding.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [het slachtoffer] op 3 juni 2025 is overleden als gevolg van de aanrijding met de auto van de verdachte. Dat staat in deze zaak ook niet ter discussie.

Ter beoordeling aan de rechtbank is de vraag of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Juridisch kader ‘schuld’

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van de verdachte wordt in die beoordeling afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt te zeggen of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid.

Mate van schuld

De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte niet is aan te merken als roekeloos.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte reed op de Diamanthorst in de richting van de rotonde met de Reigersbergenweg. De Diamanthorst is een weg binnen de bebouwde kom die uit één rijbaan bestaat, bestemd voor verkeer in beide richtingen. Aan beide zijden van die rijbaan bevindt zich een fietssuggestiestrook. Aan één zijde van de weg bevindt zich een trottoir. Dit deel van de Diamanthorst vraagt daarom reeds een bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers, ook omdat het een omgeving is waar kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals voetgangers, aan het verkeer deelnemen. Op de rijweg geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

De politie heeft het navigatiesysteem van de auto van de verdachte uitgelezen. Op basis van die informatie heeft de politie een gemiddelde snelheid van 55.47 kilometer per uur tussen locatie 2 (ter hoogte van bushalte Barnsteenhorst) en locatie 5 (kort voor voornoemde rotonde – ter hoogte van de plek van het ongeval) gemeten. Deze gemeten snelheid sluit aan bij de verklaring van de verdachte op de terechtzitting, namelijk dat hij vlak na de klap een snelheid 52 à 54 kilometer per uur op zijn dashboard zag. Deze snelheid is niet alleen een overschrijding van de maximumsnelheid die ter plaatse geldt, maar is ook een hogere snelheid dan ter plaatse geboden was. De verdachte naderde een rotonde waardoor hij zijn snelheid had moeten matigen. De verdachte heeft op de terechtzitting ook beaamd dat deze snelheid te hoog was voor wat passend was gezien de verkeerssituatie.

Daarnaast is de verdachte tijdens het rijden in slaap gevallen. De verdachte was op het moment van het ongeval 23 uur wakker en hij heeft verklaard dat hij een half uur voor het ongeval vermoeid begon te raken. Juist daarom had de verdachte moeten stoppen met rijden om uit te rusten. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat vermoeidheid het rijgedrag zeer nadelig kan beïnvloeden. Daarbij komt dat de verdachte al een keer eerder in slaap was gevallen tijdens het rijden en vervolgens tegen een vangrail is aangereden. Hij was dus bekend met de gevolgen die vermoeid rijden kunnen hebben.

Hoewel de exacte locatie waarop de auto in botsing is gekomen met het slachtoffer niet duidelijk is geworden uit het politieonderzoek, kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden vastgesteld dat de verdachte met zijn auto aan de linkerkant van de weg en vervolgens op het trottoir is terecht gekomen. Zo zijn nagenoeg alle losgekomen auto-onderdelen op het trottoir terecht gekomen, en is enkel op het trottoir een bandenspoor aangetroffen. Ook is het slachtoffer op het trottoir aangetroffen, op een aantal meter van de rijbaan. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte met zijn auto op de verkeerde weghelft en het naastgelegen trottoir heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan verantwoord was gelet op de aldaar bestaande verkeerssituatie.

Van enkel een kort moment van onoplettendheid, zoals is aangevoerd door de raadsvrouw, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest, nu het gaat om verschillende gedragingen die op meerdere momenten hebben plaatsgevonden, terwijl de verdachte – gelet op wat van een gemiddelde verkeersdeelnemer verwacht mag worden – op die momenten ook anders had kunnen en moeten handelen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat het verkeersongeval, waardoor [het slachtoffer] is overleden, aan zijn schuld als bedoeld in artikel 6 WVW is te wijten.

Feit 2

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 bepleit dat de verdachte vrijgesproken moet worden van het onderdeel “wist”, nu de verdachte slechts vermoedde dat er een ongeval had plaatsgevonden. De rechtbank overweegt daarover dat het voor een bewezenverklaring van dit feit geen verschil maakt of iemand wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij een ongeval heeft veroorzaakt. Daarbij komt dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij ergens tegenaan had gereden, maar dat hij alleen niet precies wist wat het was. Gelet daarop was het hoe dan ook verboden om de plaats van het ongeval te verlaten. Ook dit feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij op 3 juni 2025 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Diamanthorst, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:hij, verdachte- heeft in de nachtelijke uren deelgenomen aan het verkeer terwijl hij wist dat hij vermoeid was en - heeft gereden met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en - is tijdens het besturen van het motorrijtuig in slaap gevallen en - heeft zijn aandacht niet voortdurend en voldoende op die weg en de zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers gehad en gehouden, en - is daarbij vervolgens geheel of gedeeltelijk met zijn motorrijtuig terecht gekomen op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer en het trottoir en

- heeft zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een aldaar wandelende voetganger te weten [het slachtoffer] , waardoor een ander genaamd [het slachtoffer] werd gedood;

2hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in 's-Gravenhage aan de Diamanthorst, op 3 juni 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,- terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander te weten [het slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten, en - terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander te weten [het slachtoffer] is gedood.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd te volstaan met het opleggen van een taakstraf. Zij heeft verder verzocht, bij oplegging van een voorwaardelijk strafdeel, geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft op 3 juni 2025 een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [het slachtoffer] is komen te overlijden. Deze aanrijding is veroorzaakt door het zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag van de verdachte. De verdachte reed in de nachtelijke uren vermoeid door de bebouwde kom, is daarbij in slaap gevallen en heeft [het slachtoffer] aangereden die op dat moment als voetganger aan het verkeer deelnam. [het slachtoffer] is kort na de aanrijding in het ziekenhuis komen te overlijden. De verdachte heeft hem hiermee het meest waardevolle bezit, namelijk zijn leven, ontnomen. Ook is door het handelen van de verdachte onnoemelijk veel leed veroorzaakt bij de nabestaanden. Zijn echtgenote, dochter en vader hebben tijdens de terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht. [echtgenote] heeft naar voren gebracht dat het gemis van haar partner er nog altijd is en zij steeds voor zich ziet hoe de politie haar kwam ophalen en zij haar echtgenoot aantrof in het ziekenhuis. Zijn veertienjarige dochter [dochter] heeft verteld dat het voor de verdachte slechts één moment was, maar dat zij nu elke dag zonder vader moet leven. De verdachte heeft niet alleen een leven weggenomen, maar voor [dochter] een perfect persoon. De vader van het slachtoffer heeft bij monde van zijn advocaat verteld dat door de daad van de verdachte zijn zoon nooit meer terugkomt bij zijn gezin of bij hem en zijn vrouw. De woorden van de nabestaanden hebben in de zittingszaal indruk gemaakt.

Na de aanrijding is de verdachte weggereden en hij heeft daarmee het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. Hoewel de verdachte aangeeft niet te hebben gezien wie of wat hij aanreed, is wel door zijn hoofd geschoten dat het een persoon kon zijn geweest en heeft desalniettemin besloten om met hoge snelheid weg te rijden. De verdachte is een dag na het ongeval aangehouden, nadat de politie zijn beschadigde auto had aangetroffen. Dat de verdachte is weggereden en zichzelf niet heeft gemeld, rekent de rechtbank hem zeer aan.

Eerdere verkeersfeiten

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 juni 2025. Daaruit volgt onder andere dat de verdachte eind 2024 twee strafbeschikkingen heeft gehad voor verkeersfeiten. Verder volgt uit het dossier dat de verdachte sinds 21 augustus 2022 39 boetes heeft gehad wegens verkeersfeiten. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee bij het bepalen van de straf.

Rapportages psychiater en GZ-psycholoog

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de psychiater [naam 1] van 27 januari 2026 en het rapport van de GZ-psycholoog [naam 2] van 22 januari 2026. Beide concluderen dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Zowel de psychiater als de psycholoog zijn van mening dat deze stoornissen ook ten tijde van het ongeval aanwezig waren. De psychiater schrijft dat de stoornissen het rijgedrag voorafgaand aan het ongeval niet direct of bepalend hebben beïnvloed. Bij het verlaten van de plaats ongeval kan een beperkte beïnvloeding van de oordeelsvorming niet worden uitgesloten, maar deze zijn niet objectiveerbaar of doorslaggevend geweest. De psychiater adviseert de feiten dan ook volledig aan de verdachte toe te rekenen. Volgens de psycholoog kan geen concreet en aanwijsbaar verband tussen de stoornissen en de ten laste gelegde feiten worden aangedragen, hoewel de antisociale component, de schizofreniespectrumstoornis en het cannabisgebruik mogelijk wel hebben meegespeeld. De psycholoog geeft ten aanzien van het schulddelict dan ook het advies volledige toerekenbaarheid, of lichte toerekenbaarheid in overweging.

De psychiater acht het recidiverisico hoog, en ook de psycholoog verwacht dat de verdachte op enigerlei wijze zal recidiveren.

Gezien de volledige toerekenbaarheid van de verdachte kan een juridisch kader gericht op behandeling volgens de psychiater onvoldoende worden onderbouwd, waardoor hij zich onthoudt van een advies hierover. De psycholoog stelt geen behandeladvies voor, omdat deze niet tot een advies ‘verminderd toerekenen’ komt.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de adviezen van de psychiater en psycholoog de feiten volledig aan de verdachte moeten worden toegerekend.

Reclasseringsadvies

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 3 februari 2026. Dit advies is tevens uitgebracht voor een strafzaak voor vermogensdelicten waarvoor de verdachte volgende maand moet voorkomen. Uit het advies volgt dat de reclassering problemen ziet in het middelengebruik, financiën, partnerrelatie, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, meewerken aan middelencontrole en meewerken aan schuldhulpverlening. De reclassering adviseert ook dat er geen zwaarwegende negatieve consequenties voor verdachts leven zijn bij het opleggen van een gevangenisstraf, dat hij een taakstraf kan voldoen, en dat een geldboete – gelet op verdachtes problematiek – niet de voorkeur heeft.

Strafmaat

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met het feit dat het bij artikel 6 WVW gaat om een schulddelict, hetgeen tot uitdrukking wordt gebracht door het strafmaximum van drie jaren gevangenisstraf.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak. Daarin is als uitgangspunt vermeld bij overtreding van artikel 6 WVW, met de dood van het slachtoffer tot gevolg, en met ernstige schuld van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de motorrijbevoegdheid van twee jaren.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een hogere gevangenisstraf opgelegd dient te krijgen, nu hij na het ongeval is weggereden en zich niet om het slachtoffer heeft bekommerd. Ook neemt de rechtbank in strafverhogende zin mee dat de verdachte veel verkeersfeiten op zijn naam heeft staan.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank – mede gelet op wat door de psycholoog en psychiater is overwogen – in deze strafzaak geen aanleiding.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Ontzegging van de rijbevoegdheid

De rechtbank zal een ontzegging van de motorrijbevoegdheid voor de duur van drie jaren opleggen. Dat is hoger dan de twee jaren die staan voorgeschreven in het oriëntatiepunt. De rechtbank legt deze hogere ontzegging op, omdat de verdachte de afgelopen jaren al een groot aantal keren met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens verkeersfeiten.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is door de rechter-commissaris voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schorsing op te heffen, nu de verdachte momenteel uit anderen hoofde is gedetineerd en het recidiverisico met de huidige schorsingsvoorwaarden voldoende wordt ingeperkt.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[echtgenote] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 24.475.00, bestaande uit materiële schade ter hoogte van € 475,00 voor kosten van een psycholoog en immateriële schade ter hoogte van € 25.000,00 bestaande uit € 2.500,00 voor affectieschade en € 22.500,00 voor shockschade.

[echtgenote] heeft namens haar veertienjarige dochter [dochter] een vordering ingediend voor een bedrag van € 25.506,68, bestaande uit materiële schade ter hoogte van € 506,68 voor kosten van een psycholoog, en immateriële schade ter hoogte van € 25.000,- bestaande € 2.500,00 voor affectieschade en € 22.500,00 voor shockschade.

Verder wordt verzocht om de toewijzing van de wettelijke rente over de materiële schade vanaf de datum van het indienen van de vordering en over de immateriële schade vanaf 3 juni 2025, alsook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de kosten voor de psycholoog heeft de raadsvrouw opgemerkt dat er in de bijlagen verschillende bedragen worden genoemd.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de gevorderde affectieschade op het standpunt gesteld dat die schade voor beide benadeelde partijen kan worden toegewezen.

Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op shockschade heeft de raadsvrouw de rechtbank gevraagd de benadeelde partijen in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

Kosten psycholoog

De vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de kosten voor een psycholoog, zijn namens de benadeelde partijen voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen. De rechtbank zal dan ook voor zowel [echtgenote] als [dochter] het volledige bedrag toekennen.

Affectieschade

Bij de beoordeling van de vorderingen tot affectieschade stelt de rechtbank het volgende voorop. Sinds 1 januari 2019 is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Vergoeding van affectieschade is in beginsel slechts toewijsbaar aan personen die behoren tot de kring van gerechtigden als genoemd in artikel 6:108, lid 4 , onder a tot en met f, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor vergoeding van affectieschade heeft de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade forfaitaire bedragen vastgesteld.

Affectieschade ten aanzien van [echtgenote]

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.500,- aan affectieschade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is het bedrag aan affectieschade dat de verzekering niet heeft vergoed. De benadeelde partij is de echtgenote van het overleden slachtoffer en kan op grond van grond van artikel 6:108, lid 4, onder a, BW als naaste worden aangemerkt die aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het schadebedrag dat de wetgever voor deze naaste heeft vastgesteld is € 20.000,-. Omdat de verzekering inmiddels € 17.500,- heeft vergoed aan de benadeelde partij, acht de rechtbank het resterende bedrag dat als vergoeding van affectieschade wordt gevorderd voor toewijzing vatbaar.

Affectieschade ten aanzien van [dochter]

Namens de benadeelde is een bedrag van € 2.500,- aan affectieschade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is het bedrag aan affectieschade dat de verzekering niet heeft vergoed. De benadeelde partij is de minderjarige dochter van het overleden slachtoffer en kan op grond van grond van artikel 6:108, lid 4, onder d, BW als naaste worden aangemerkt die aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het schadebedrag dat de wetgever voor deze naaste heeft vastgesteld is € 20.000,-. Omdat de verzekering inmiddels € 17.500,- heeft vergoed aan de benadeelde partij, acht de rechtbank het resterende bedrag dat als vergoeding van affectieschade wordt gevorderd, voor toewijzing vatbaar.

Shockschade

De rechtbank overweegt dat vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij een benadeelde partij een hevige emotionele shock wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over shockschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Namens [echtgenote] en [dochter] is naar voren gebracht dat de politie vroeg in de ochtend van 3 juni 2025 aan hun deur stond met het bericht dat hun vader/echtgenoot in het ziekenhuis lag, en dat zij vervolgens direct zijn overgebracht naar het ziekenhuis. Daar troffen zij het slachtoffer ernstig gewond aan in een kamer die vol stond met politiemensen en artsen. Het hoofd van hun man en vader zwelde vervolgens op, waardoor het slachtoffer voor hen onherkenbaar werd. Kort daarna is het slachtoffer in hun bijzijn overleden.

De rechtbank overweegt dat [echtgenote] (als echtgenote) en [dochter] (als minderjarige dochter) in een zeer nauwe affectieve band tot het slachtoffer stonden. Bovendien volgt uit de stukken van de psycholoog dat zij beiden objectiveerbaar geestelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van de directe confrontatie met de gevolgen van het misdrijf.

Bij [echtgenote] is immers sprake van ‘ernstige psychische en emotionele gevolgen door blootstelling aan de traumatische gebeurtenis’. De rechtbank begrijpt dat daaronder moet worden verstaan de heftige confrontatie met de staat waarin haar man zich bevond in het ziekenhuis, nu de psycholoog schrijft over de confrontatie met een door ernstig letsel onherkenbare partner en zijn overlijden.

Uit de brief van de psycholoog ten aanzien van [dochter] blijkt dat sprake is van een traumatische rouwreactie, passend bij de kenmerken van een posttraumatische stressstoornis. De klachten zijn onder andere traumatische herinneringen aan het ziekenhuis. De psycholoog verwijst daarbij naar het ziekenhuisbezoek, de reanimatie, het afhalen van de beademing van haar vader en het van dichtbij waarnemen van zijn overlijden.

Nu voor beide benadeelden is voldaan aan de eisen voor shockschade, komen zij voor een vergoeding van shockschade in aanmerking.

De rechtbank zal een lager bedrag toewijzen dan is gevorderd. De rechtbank overweegt daartoe dat uit zowel de psychologische rapportages van [echtgenote] als [dochter] volgt dat hun klachten niet enkel voortkomen uit de directe confrontatie met het gewonde slachtoffer, maar ook uit rouwklachten die bij het overlijden van het slachtoffer passen.

De rechtbank zal voor [dochter] een hoger bedrag toekennen dan voor [echtgenote] . De rechtbank neemt daarbij mee dat uit de brief van de psycholoog bij [dochter] een sterker verband blijkt tussen de directe confrontatie met het slachtoffer in het ziekenhuis en haar psychische klachten. Verder neemt de rechtbank daarbij mee dat dat zij hiermee op een jonge leeftijd geconfronteerd is.

De rechtbank zal voor [echtgenote] voor shockschade toewijzen een bedrag van € 12.500,00, en zal haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank zal voor [dochter] voor shockschade toewijzen een bedrag van € 15.000,00, en zal haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Resumerend

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering die namens [echtgenote] is gedaan, toewijzen tot een bedrag van € 15.475,-, bestaande uit € 475,- voor de kosten van een psycholoog, € 2.500,- voor affectieschade en € 12.500,- voor shockschade.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering die namens [dochter] is gedaan, toewijzen tot een bedrag van € 18.006,68, bestaande uit € 506,68 voor de kosten van een psycholoog, € 2.500,- voor affectieschade en € 15.000,- voor shockschade.

De rechtbank zal in beide vorderingen de wettelijke rente voor de materiële schade toewijzen met ingang van 5 februari 2026 en voor de immateriële schade met ingang van 3 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die data is ontstaan.

Omdat de vorderingen deels worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van [echtgenote]

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.475,00, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.000,00 vanaf 3 juni 2025, en over een bedrag van € 475,00 vanaf 5 februari 2026, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [echtgenote] .

Schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van [dochter]

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 18.006,68, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 17.500,00 vanaf 3 juni 2025, en over een bedrag van € 506,68 vanaf 5 februari 2026, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [dochter] .

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen personenauto terug kan naar de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen personenauto terug kan naar de verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een zwarte personenauto van het merk Volkswagen met kenteken [kenteken] , verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 36f, 57 en 60a van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

ten aanzien van feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank vastgesteld op drie dagen), bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering benadeelde partij [echtgenote] (feit 1):

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 15.475,00, aan [echtgenote] , bestaande uit:

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [echtgenote] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

Vordering benadeelde partij [dochter] (feit 1):

wijst de vordering tot schadevergoeding die namens de benadeelde partij is gedaan deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 18.006,68, bestaande uit:

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [dochter] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

Schadevergoedingsmaatregelen

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.475,00, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.000,00 vanaf 3 juni 2025, en over een bedrag van € 475,00 vanaf 5 februari 2026, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [echtgenote] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 102 dagen;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 18.006,68, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 17.500,00 vanaf 3 juni 2025, en over een bedrag van € 506,68 vanaf 5 februari 2026, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [dochter] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 115 dagen;

de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

Beslag

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: een personenauto, Volkswagen, met kenteken [kenteken] .

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,

mr. E.R.F. van Engelen, rechter,

mr. J.A. Kramer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. ten Voorde, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026.

Bijlage: bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025182279, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, (doorgenummerd pagina 1 t/m 117).

De rechtbank gebruikt voor de feiten 1 en 2 de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 februari 2026, voor zover inhoudende:

U, de voorzitter, zegt dat er op 3 juni 2025, even over vijf in de ochtend een melding binnenkomt bij de politie dat er een bebloede man, [het slachtoffer] , op de weg ligt op de Diamanthorst in Den Haag. U zegt ook dat die later die ochtend is overleden. U zegt dat ik bij de politie heb verklaard dat ik betrokken was bij de aanrijding, en u vraagt of die verklaring klopt. Ja. Ik was vermoeid. Ik ben vermoeid geraakt tijdens het rijden. Ik was al ongeveer 23 uur wakker. Ongeveer een half uur voor de aanrijding merkte ik dat ik moe begon te worden. Ik zat in een automatische fuik dat ik bleef doorrijden. Ik werd wakker van een klap. Door de klap herinnerde ik me dat ik naar rechts moest sturen. Ja, dat was een klap op de auto. Ik keek op het dashboard, en zag daarop dat ik 52 à 54 kilometer per uur reed. Ik zag daarna niemand. Het klopt dat ik richting de rotonde reed. U vraagt op welke kant van de weg ik zat tijdens de aanrijding. Ik was niet op de juiste rijbaan. Ik deed bij het wegrijden mijn raam open en ik hoorde niks. Ik verkeerde in een bepaalde angst/shock dat ik een hond heb aangereden, of dat het een mens is geweest. Ik hoopte geen mens. Door de angst ben ik gaan doorrijden. Ik had moeten stoppen, uitstappen, en de politie bellen.

U, de jongste rechter, zegt dat op het moment dat ik op mijn dashboard keek ik vrij kort op de rotonde was. Ja. U, de jongste rechter, vraagt of ik met de snelheid die ik reed, een overstekende persoon op het zebrapad bij de rotonde nog had kunnen ontwijken. Nee. 50 kilometer per uur is daarvoor een te hoge snelheid.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 11):

Op 3 juni 2025 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , in dienst samen met collega [verbalisant 2] .

Wij reden vanaf het Vlaskamp over de rotonde richting de Diamanthorst. Wij kwamen om 05:14 uur ter plaatse. Ik zag een man achter de boom liggen voor de portiek 1-17. Ik zag dat de man op zijn zij lag. Ik zag dat er een rode vloeistof uit zijn mond en neus kwam. Ik zag een rode dikke vloeistof op de grond liggen. Ik hoorde dat de man een snurkend/gorgelend geluid maakte. Ik voelde aan zijn pols en voelde een hartslag. Ik heb de man aangesproken, ik zag en hoorde dat hij niet reageerde. Ik zag dat de broek van de man kapot was aan de onderkant. Ik zag meerdere gaten in zijn broekspijpen zitten ter hoogte van zijn scheenbenen.

Ik heb de man samen met collega [verbalisant 2] op zijn rug gedraaid. Ik zag dat hij een pasje om zijn nek had hangen. Hierop zag ik een foto van de man en zijn naam staan. Ik heb deze aan collega [verbalisant 2] gegeven. Ik hoorde collega [verbalisant 2] zeggen dat het slachtoffer is [het slachtoffer] ( [geboortedatum 2] 1974).

3. Het proces-verbaal van bevindingen inclusief fotobijlage, opgemaakt op 5 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 14):

Op 3 juni 2025, omstreeks 07:16 uur, kwam ik, verbalisant [verbalisant 3] , ter plaatse op de Diamanthorst te Den Haag. Rondom het slachtoffer waren er verschillende delen van een voertuig aangetroffen. Dit betroffen enkele delen van een koplampglas, een paar delen van een Volkswagenlogo, kleine spiegeldeeltjes van het binnenwerk van een koplamp. Er lag een flinke hoeveelheid bloed, daar zou het slachtoffer gelegen hebben op zijn buik.

Ik, verbalisant [verbalisant 3] , zag op het zuidelijk gelegen trottoir van de Diamanthorst, ter hoogte van huisnummers 1 tot en met 17 de meeste sporen liggen. Ik zag het volgende: een zonnebril, een bandenspoor, koplampglasdelen en

spiegelglasdelen, een spoor van blauwe vezels, een spoor van bloed, een grote

concentratie bloed, onderdelen van een logo en een zwarte tas. Op de fietsstrook in

de richting van de Hofzichtlaan zag ik een koplampglasdeel.

4. Een geschrift, te weten het 'Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden' van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende (p. 3, 8 (niet doorgenummerd)):

Overledene Naam: [het slachtoffer] Geboortedatum: [geboortedatum 2] 1974Geboorteplaats: [geboorteplaats 2]

Conclusie Bij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van dhr. [het slachtoffer][het slachtoffer] , 51 jaar oud geworden, wordt het overlijden zonder meer verklaarddoor uitgebreide krachtsinwerking ten gevolge van een aanrijding.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 107-108):

Ik, verbalisant, [verbalisant 4] , brigadier werkzaam bij de Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:

Nadat ik de locatiegegevens had geïmporteerd op een landkaart werd de gereden route van de betrokken personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] , inzichtelijk. Ik deed onderzoek naar de gereden snelheid op het traject Diamanthorst te Den Haag. Dit traject legde de personenauto twee keer binnen korte tijd af.

Weergave snelheden DiamanthorstIk zag dat op de Diamanthorst in totaal 5 keer een snelheid was vastgelegd. Dit betreft de weergave van de gemiddelde snelheid, gemeten vanaf het vorige meetpunt.

Op basis van het voren staande blijkt dat de gemiddelde snelheden weergegeven passen bij de hierna weergegeven tijden:43.96 km/h (3 juni 2025 te 5.00:29 uur)55.47 km/h (3 juni 2025 te 5.02:08 uur)

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 40):

Op 3 juni 2025, omstreeks 5:00 uur, vond er op de Reigersbergerweg te Den Haag een aanrijding plaats tussen een onbekend voertuig en een persoon. De persoon kwam ten gevolge van deze aanrijding om het leven. De bestuurder van het onbekende voertuig bleek de plaats van aanrijding te hebben verlaten zonder zijn of haar identiteit te hebben achtergelaten. Op basis van het onderzoek dat volgde bleek dat de betrokken personenauto kon worden geïdentificeerd als een Volkswagen Polo, zwart van kleur, voorzien van het kenteken [kenteken] , op naam van [de verdachte]

, geboren op [geboortedatum 1] 1989.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?