ECLI:NL:RBDHA:2026:3801

ECLI:NL:RBDHA:2026:3801

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer NL25.41728
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel, Zuid-Afrika, alleenstaande vrouw zonder netwerk van familie of stam en slachtoffer van huiselijk geweld, vervolgingsgrond ‘bepaalde sociale groep’, bescherming van de autoriteiten, vrouwenbesnijdenis, motiveringsgebrek, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.41728

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en haar zoon [minderjarige], V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij is van Zuid-Afrikaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1985. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, L. Pomper als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
Vervolgingsgrond ‘bepaalde sociale groep’

Het asielrelaas

6. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is samen met haar zoon vertrokken uit Zuid-Afrika vanwege problemen met zowel haar eigen familie als haar schoonfamilie. In 2017 heeft haar schoonmoeder haar dochter meegenomen om haar te besnijden. De dochter van eiseres is aan de gevolgen daarvan overleden. De schoonfamilie wilde dat ook eiseres zich zou aanpassen aan de culturele tradities van hun Venda-stam en zich zou laten besnijden. Daarnaast werd eiseres mishandeld door haar man (inmiddels ex-man). In 2020 werd er een poging gedaan om eiseres te beschieten. Ook vlak voor het vertrek in 2022, heeft de ex-man van eiseres haar nog opgezocht en geprobeerd haar te ontvoeren. Bij terugkeer vreest eiseres voor wraak door haar familie. Ook vreest zij slachtoffer te worden van vrouwenbesnijdenis of te worden vermoord door haar schoonfamilie en/of haar ex-man.

7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) Problemen met familie; en

3) Problemen met schoonfamilie.

De minister stelt zich op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. De minister heeft het tweede en derde asielmotief niet beoordeeld op geloofwaardigheid, omdat deze asielmotieven volgens de minister op voorhand onvoldoende zwaarwegend zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade.

In het kader van de zwaarwegendheid stelt de minister zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De vrees van eiseres voor haar familie en schoonfamilie zijn namelijk niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade. Ten aanzien van de vrees van eiseres voor haar eigen familie, overweegt de minister dat eiseres niet alle mogelijke stappen heeft ondernomen om bescherming te vragen van de (hogere) autoriteiten. Daarnaast vindt de minister van belang dat eiseres van 2020 tot haar vertrek in 2022 geen problemen heeft gehad met haar eigen familie. Ook ten aanzien van de vrees van eiseres voor haar schoonfamilie, overweegt de minister dat niet is gebleken dat eiseres alle beschermingsmogelijkheden heeft benut. Bovendien wijst de minister erop dat uit openbare bronnen blijkt dat Zuid-Afrika progressieve wetten heeft, bedoeld voor het beschermen van vrouwenrechten, en dat eiseres een hoogopgeleide vrouw is waardoor van haar verwacht mag worden dat zij alle beschermingsmogelijkheden uitput of elders gaat wonen om zich te onttrekken aan geweld. De minister overweegt in zijn besluit op dit punt het volgende: “Hoewel uit de overgelegde artikelen en het ook door ons aangehaalde rapport blijkt dat er nog veel stappen gezet moeten worden ten aanzien van (het beschermen van) vrouwenrechten in Zuid-Afrika, blijkt hieruit niet dat dit in zijn geheel niet mogelijk is.”

De minister concludeert dat eiseres geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw krijgt.

De beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank

Geloofwaardigheid

8. De rechtbank stelt vast dat de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiseres in het midden heeft gelaten. Daarom moet de minister bij de beoordeling van de zwaarwegendheid uitgaan van alle verklaringen van eiseres over haar asielmotieven. Het moet er immers voor worden gehouden dat hij de geloofwaardigheid van de door eiseres gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333).

9. Eiseres voert, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) van 11 juni 2024 (ECLI:EU:C:2024:487), aan dat de minister ten onrechte heeft miskend dat zij als alleenstaande vrouw zonder netwerk van familie of stam en als slachtoffer van huiselijk geweld, behoort tot een bepaalde sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiseres betoogt dat deze groep vrouwen uitermate kwetsbaar is in Zuid-Afrika en dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten niet in staat zijn om effectieve bescherming te bieden.

10. De rechtbank stelt voorop dat uit de arresten van het Hof van Justitie van 16 januari 2024 (ECLI:EU:C:2024:47) en van 11 juni 2024 volgt dat artikel 10, eerste lid, onder d, van Richtlijn 2011/95 zo moet worden uitgelegd, dat naargelang de omstandigheden in het land van herkomst, zowel vrouwen uit dat land in hun geheel als meer beperkte groepen van vrouwen die een bijkomende gemeenschappelijke eigenschap delen, tot een bepaalde sociale groep kunnen horen, wat een grond van vervolging kan vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden. Ook oordeelde het Hof van Justitie in het voornoemde arrest van 16 januari 2024 dat “vrouwen als geheel worden geacht te behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van Richtlijn 2011/95, wanneer vaststaat dat zij in hun land van herkomst op grond van hun geslacht blootgesteld zijn aan lichamelijk of geestelijk geweld, daaronder begrepen seksueel geweld en huiselijk geweld” (rechtsoverweging 57).

11. De rechtbank stelt vast dat de minister er in het bestreden besluit op wijst dat het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2024 afwijkt van de situatie van eiseres. Verder verwijst de minister in het bestreden besluit naar paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waaruit volgt dat vrouwen niet enkel op basis van de sekse worden aangemerkt als sociale groep, omdat vrouwen als sociale groep te divers van samenstelling zijn. Ten slotte merkt de minister in het bestreden besluit op dat het individualiseringsvereiste van toepassing is.

12. De rechtbank is van oordeel dat de minister, in het licht van de arresten van het Hof van Justitie van 16 januari 2024 en 11 juni 2024, met het bovenstaande onvoldoende gemotiveerd heeft dat eiseres niet tot een bepaalde sociale groep behoort. Immers, tegen de achtergrond van de geloofwaardige verklaringen van eiseres, heeft de minister niet gemotiveerd waarom eiseres als vrouw en slachtoffer van lichamelijk, geestelijk, seksueel en huiselijk geweld niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 10, eerste lid, onder d, van Richtlijn 2011/95. De beroepsgrond slaagt.

Bescherming van de autoriteiten

13. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij kan rekenen op adequate bescherming van de Zuid-Afrikaanse autoriteiten tegen geweld door haar ex-man, haar familie en haar schoonfamilie. De minister gaat er in het bestreden besluit aan voorbij dat eiseres zich meermaals heeft gewend tot de politie. De politie heeft echter nooit iets voor eiseres kunnen betekenen. Weliswaar heeft de politie in 2014 een beschermingsbevel uitgegeven tegen de ex-man van eiseres, maar de politie deed niets voor eiseres toen haar ex-man zich niet aan dit beschermingsbevel hield. Sterker, hierna bleek de schoonmoeder van eiseres op de hoogte van de pogingen van eiseres om bescherming te vragen. Eiseres betoogt dan ook dat de Zuid-Afrikaanse overheid geen effectieve bescherming biedt tegen problemen in familiaire sfeer. Eiseres verwijst, ter onderbouwing hiervan, naar een notitie van Vluchtelingenwerk van 22 mei 2025 en de daarin genoemde bronnen en een persbericht van de Verenigde Naties van 17 mei 2021, waarin wordt verwezen naar een rapport van the Committee on the Elimination of Discrimination against Women (CEDAW). In dat bericht staat het volgende: “The Committee concluded that South Africa failed to comply with its obligation to effectively investigate, prosecute and punish cases of domestic violence, and provide systematic and effective capacity building for the judiciary and law enforcement bodies, thereby violating the right of South African women to live free from domestic violence”.

14. De rechtbank stelt voorop dat voor beantwoording van de vraag of een vreemdeling hulp van de autoriteiten in het land van herkomst kan krijgen, eerst moet worden onderzocht of in het betreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Hiervoor wordt gekeken naar informatie over de algemene situatie in dat land, in het bijzonder ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties. Pas als deze vraag positief is beantwoord, wordt bekeken of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Als niet aannemelijk is gemaakt dat het vragen van bescherming gevaarlijk of bij voorbaat zinloos moet worden geacht, kan alleen het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn om te helpen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9606).

15. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten in het algemeen bescherming kunnen bieden aan vrouwen die slachtoffer zijn van geweld in de familiaire sfeer. Uit de door eiseres overgelegde landeninformatie volgt onder meer dat, ondanks vooruitstrevende wetten van Zuid-Afrika om de rechten van vrouwen te beschermen, het misbruik tegen vrouwen blijft toenemen. Ook blijkt uit de landeninformatie dat de overheid de wet niet effectief handhaaft, dat vrouwen die aangifte doen vaak niet kunnen rekenen op bescherming en dat er een tekort is aan opvanghuizen voor vrouwen. In het licht van de overgelegde informatie heeft minister ontoereikend gemotiveerd dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten in het algemeen bescherming bieden tegen het geweld waarvoor eiseres vreest.

Uit de omstandigheid dat er progressieve wetten zijn voor het beschermen van vrouwenrechten, maar dat er nog veel stappen gezet moeten worden ten aanzien van (het beschermen van) vrouwenrechten, volgt niet dat in het algemeen bescherming wordt geboden tegen aanhoudend huiselijk geweld waarover eiseres geloofwaardig heeft verklaard. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor haar bij voorbaat zinloos moet worden geacht.

Vrees voor vrouwenbesnijdenis

16. Eiseres voert aan dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat zij slachtoffer wordt van vrouwenbesnijdenis. Ten onrechte gaat de minister er vanuit dat, nu de ex-man van eiseres een nieuwe vrouw heeft, eiseres geen risico meer loopt om gedwongen vrouwenbesnijdenis te ondergaan. Dat het doorgaans jonge meisjes zijn die slachtoffer worden van vrouwenbesnijdenis, wil volgens eiseres niet zeggen dat volwassen vrouwen hiervan uitgesloten zijn.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat, gelet op de leeftijd van eiseres, niet aannemelijk is dat zij het slachtoffer zal worden van vrouwenbesnijdenis. Eiseres heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat binnen de Venda-cultuur besnijdenis van volwassen vrouwen voorkomt dan wel gebruikelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.

18. Gelet op hetgeen in 12 en 15 overwogen, is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is reeds hierom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.

20. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 8 weken.

21. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 25 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Catsburg

Griffier

  • mr. I.S. Bunnik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?