[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: R. Bekker).
Inleiding
1. In een eerdere beroepsprocedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, op 27 februari 2025 uitspraak gedaan. Bij deze uitspraak is het beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 juni 2024 vernietigd. Ook is de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
2. De minister heeft op 15 april 2025 een nieuw voornemen uitgebracht. Eiser heeft hiertegen op 13 mei 2025 een zienswijze ingediend.
3. Met het besluit van 19 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser is opgedragen terug te keren naar Engeland en Nederland binnen vier weken te verlaten.
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen, evenals tolk I.A. Remizova. Ook was de gemachtigde van de minister aanwezig.
5. De rechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst en nadere vragen gesteld. De minister heeft hierop gereageerd met de brief van 10 december 2025 en de gemachtigde van eiser met de brief van 27 december 2025. Partijen hebben vervolgens de rechtbank toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten met het bericht van 27 januari 2026.
Aanleiding voor eisers asielaanvraag in Nederland
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij problemen heeft gehad in Oezbekistan en om deze reden in augustus 2018 is gevlucht. Hij is later dat jaar via Rusland, Spanje en Ierland in Engeland gekomen. In Engeland heeft eiser een reguliere verblijfsvergunning gekregen, maar dit was op basis van een vals Roemeens identiteitsbewijs. Eiser heeft in Engeland geen asielaanvraag ingediend. Hij heeft daar wel gewoond en gewerkt en een partner gehad afkomstig uit Letland. Met haar heeft eiser ook een kind, geboren op [geboortedatum] 2023. Eind 2022 is eiser vanuit Engeland voor een korte vakantie naar Nederland gekomen. Toen hij terug wilde keren is hij aangehouden vanwege zijn valse Roemeense identiteitsbewijs. Daarna heeft eiser op 3 augustus 2022 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
Standpunt van de minister en ontwikkelingen hierin (in essentie)
7. De minister heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De reden is dat hij volgens verweerder naar Engeland kan gaan. Eiser heeft een band met Engeland, omdat hij daar vier jaar heeft gewoond en verblijfsrecht had. Eiser heeft in Engeland een gezin gesticht. De partner van eiser heeft een verblijfsrecht in Engeland en zijn zoon heeft de Engelse nationaliteit. Eiser kan zijn kind erkennen en verblijfsrecht bij hem krijgen. Ook heeft eiser de mogelijkheid in Engeland asiel aan te vragen. De minister ziet niet in dat eiser enkel vanwege een (eerdere) inreis met een valse identiteit niet tot Engeland zou worden toegelaten. Verder volgt de minister niet dat het verlopen paspoort van eiser maakt dat hij niet naar Engeland kan reizen. De Nederlandse autoriteiten kunnen namelijk zorgen voor een laissez-passer waarmee dit wel kan. Tot slot stelt de minister dat het refoulement- verbod niet wordt geschonden, omdat Engeland een veilig derde land is.
8. Tijdens de zitting is het gegaan over de vraag of eiser daadwerkelijk toegang kan krijgen tot Engeland. De minister heeft herhaald dat eiser een dusdanige band met Engeland heeft dat het aannemelijk is dat hij toegang krijgt tot Engeland. De recente ontwikkeling dat zijn echtgenote en zoon niet meer in Engeland wonen doet hier volgens de minister niet aan af. Nu de minister aannemelijk heeft gemaakt dat eiser naar Engeland kan is het volgens hem aan eiser om dit te weerleggen. Eiser heeft echter geen daadwerkelijke poging gedaan om toegang tot Engeland te krijgen en niet onderbouwd dat hij geen laissez-passer kan krijgen. Hiermee vindt de minister dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem overgegane bewijslast. Het gegeven dat eisers vorige identiteitsbewijs niet meer geldig is maakt dit niet anders.
9. In de brief van 10 december 2025 gaat de minister in op de vragen die door de rechtbank voorafgaand aan de schorsing zijn gesteld. De minister stelt dat eiser een visum kan aanvragen om als toerist of werkzoekende naar Engeland te reizen en vervolgens daar asiel kan aanvragen. Ook kan hij dit doen via erkenning van zijn zoon. Hiermee is volgens de minister aannemelijk dat eiser toegang kan krijgen tot Engeland, daarom moet hij aantonen dat hij desondanks niet wordt toegelaten. Hier is eiser volgens de minister niet in geslaagd, omdat niet is gebleken van inspanningen voor toelating en eiser zich beperkt tot niet onderbouwde stellingen.
Beoordeling door de rechtbank
10. De rechtbank ziet zich in de kern gesteld voor de vraag of de minister de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk kon verklaren met als reden dat eiser wordt toegelaten tot een veilig derde land.
11. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in uitspraken van 13 december 2017 het toetsingskader voor het tegenwerpen van een veilig derde-land uiteengezet. Hieruit volgt dat de minister moet beoordelen of een land voor de specifieke betrokkene een veilig derde land is. Als de minister aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat de betrokkene in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen (ivm veiligheid) wordt behandeld, kan hij dit slechts tegenwerpen indien aannemelijk is dat die betrokkene toegelaten wordt tot het derde land. Ook moet sprake zijn van een zodanige band met dat land dat het voor de betrokkene redelijk is daar naartoe te gaan.
Een veilig derde land
12. De rechtbank overweegt dat de minister gemotiveerd is ingegaan op waarom Engeland in het algemeen als veilig derde land geldt. Engeland is aangesloten bij het Vluchtelingenverdrag, het Antifolterverdrag, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarnaast kent Engeland een verbod op refoulement en leeft dit na. Ook motiveert de minister waarom Engeland specifiek voor eiser veilig is bevonden. Eiser heeft bijna vier jaar in Engeland gewoond en gewerkt en in deze periode geen problemen ondervonden. Bij eventuele toekomstige problemen mag van eiser verwacht worden dat hij de bescherming van de Engelse autoriteiten inroept. Verder heeft eiser zijn vrees om gedeporteerd te worden niet onderbouwd. In de beroepsgronden heeft eiser enkel nog, niet nader gemotiveerd, genoemd dat hij zich onveilig voelt. Dit is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Toelating tot Engeland
13. De rechtbank stelt vast dat het geschil in deze zaak zich concentreert op de vraag of eiser toegelaten zal worden tot Engeland als veilig derde land. Het is in eerste instantie aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser wordt toegelaten tot Engeland. De minister dient aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van de betrokkene, redenen aan te dragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Als de minister hierin is geslaagd, dan is het aan de betrokkene om met tegenbewijs voldoende twijfel te zaaien over de door de minister geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land.
14. De rechtbank stelt vast dat er gedurende de procedure een ontwikkeling is geweest in het standpunt van de minister (zie onder 7 tot en met 9). Aan het bestreden besluit is oorspronkelijk ten grondslag gelegd dat eiser een tijd in Engeland heeft verbleven op basis van een werkvergunning en eenvoudig terug zou kunnen vanwege zijn echtgenote en kind aldaar. Dit laatste herhaalt de minister niet in de reactie van 10 december 2025. In deze reactie verwoordt de minister een meer algemeen standpunt over dat eiser eventueel een toeristenvisum kan krijgen of als werkzoekende naar Engeland kan reizen om daar asiel aan te vragen. Deze enkele stelling vormt in dit geval een onvoldoende onderbouwing. Of eiser op deze basis toegelaten zal worden is onzeker, omdat hij een aantal complicaties heeft opgeworpen. Zo was het eerdere verblijf van eiser in Engeland onder een valse identiteit, is het identiteitsbewijs van eiser inmiddels verlopen, zijn de regels na Brexit gewijzigd en is er een veranderde gezinssituatie. De minister is niet ingegaan op deze complicaties. Ook het argument van de minister dat eiser zijn zoon kan erkennen en zich bij hem in Engeland kan voegen, vereist een nadere uitleg die tot op heden ontbreekt. Eiser heeft namelijk al voorafgaand aan de zitting een stuk geüpload waaruit blijkt dat zijn echtgenote en zoon inmiddels in Letland verblijven, althans daar sinds 12 juli 2025 in de basisregistratie personen staan ingeschreven. Verder is de minister tijdens de zitting ingegaan op dat eiser een laissez passer zou kunnen krijgen voor Engeland. De rechtbank heeft hier, vanwege de door eiser genoemde complicaties, vragen over gesteld (zie het verkort proces-verbaal). De minister is hier in zijn reactie van 10 december 2025 echter niet meer op ingegaan, waardoor het onduidelijk is gebleven of eiser in zijn situatie wel een laissez-passer kan krijgen.
15. De rechtbank concludeert dat de minister in dit geval een onvoldoende motivering heeft gegeven, omdat hij zich beperkt tot het noemen van manieren waarop in zijn algemeenheid eventueel toegang tot Engeland kan worden verkregen. De complexe situatie van eiser vereist dat meer concreet op criteria voor toelating wordt ingegaan in relatie tot zijn specifieke geval. Dit geldt te meer in het licht van de onderbouwde beroepsgronden over complicaties die zich voor hem voordoen. De minister is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat toelating voor eiser tot Engeland in beginsel mogelijk moet zijn. In het navolgende wordt nog ingegaan op de gestelde band van eiser met Engeland en bij de conclusie op wat de gevolgen zijn van dit geconstateerde gebrek.
De aanwezigheid van ‘een zodanige band’
16. De rechtbank overweegt dat de aanwezigheid van een veilig derde land slechts door de minister kan worden tegengeworpen als de betrokkene een zodanige band heeft met dat land dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan. Dit kan het geval zijn als de betrokkene in het verleden in dat land heeft gewoond, maar kan ook worden afgeleid uit andere individuele omstandigheden, zoals het hebben van een partner of andere familie in dat land. Het is in beginsel aan de minister om aan de hand van de verklaringen van de betrokkene en documenten aannemelijk te maken dat hij een band heeft met het derde land. Het is vervolgens aan de betrokkene om dat te weerleggen.
17. De rechtbank overweegt dat de minister heeft aangenomen dat eiser een band heeft met Engeland, omdat hij bijna vier jaar in Engeland heeft gewoond en gewerkt. Eiser had daar een verblijfsrecht. Ook heeft eiser in Engeland een gezin gesticht. De partner van eiser heeft volgens de minister een verblijfsrecht in Engeland en zijn zoon heeft de Engelse nationaliteit. Tegenover dit standpunt van de minister staan eisers argumenten over dat hij onder zijn eigen echte identiteit geen verblijfsrecht heeft gehad in Engeland en dat zijn echtgenote en zoon inmiddels in Letland wonen, althans daar sinds 12 juli 2025 in de basisregistratie zijn ingeschreven. Hoewel een verblijf in het verleden in een land een element kan zijn om een band aan te nemen, ligt dat in deze zaak ingewikkelder. De minister is ook op dit punt onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden van eiser in deze zaak, om deze reden is niet aannemelijk gemaakt dat eiser een zodanige band heeft met Engeland dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan. In zoverre kleeft er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
19. De rechtbank draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bij een motivering over de toelating tot Engeland in te gaan op eisers specifieke situatie en de voor hem aanwezige complicaties. Ook wordt de minister opgedragen in te gaan op genoemde specifieke omstandigheden van eiser waar het gaat over de gestelde band van eiser met Engeland.
20. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), is op de zitting aanwezig geweest (1 punt) en heeft een reactie gegeven na de brief van de minister van 10 december 2025 (0,5 punt). De waarde per punt is € 934,-. De vergoeding die de minister moet betalen bedraagt hiermee in totaal € 2.335,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 mei 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken n het openbaar en bekendgemaakt op:
25 februari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.