RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer 1], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36310
mede namens haar minderjarige kinderen
[minderjarige 1] , V-nummer: [nummer 2], en
[minderjarige 2] , V-nummer: [nummer 3].
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 13 november 2025 geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen.
Bij bericht van 4 december 2025 heeft verweerder aangegeven nog geen aanvullende informatie beschikbaar te hebben. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld haar uiterlijk 19 december 2025 over de stand van zaken te informeren. Verweerder heeft dit nagelaten. De rechtbank heeft verweerder vervolgens op 14 januari 2026 gevraagd om haar uiterlijk 23 januari 2026 te informeren over de stand van zaken. Verweerder heeft dit nagelaten.
De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Achtergrond
1. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1993. Eiseres is in augustus 2015 gevlucht uit Eritrea. Zij heeft in de periode midden 2018 tot midden 2019 in Uganda verbleven. Eiseres heeft in Uganda een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiseres op 27 mei 2021 in Griekenland is geregistreerd. Eiseres is op 7 juli 2023 in Nederland aangekomen en heeft op 12 juli 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Deze asielaanvraag geldt ook voor haar twee minderjarige zoons. Haar oudste zoon is op [geboortedatum 2] 2020 in Griekenland geboren, haar jongste zoon is op [geboortedatum 3] 2023 in Nederland geboren.
Eiseres heeft – kort samengevat – het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres stelt in de zomer van 2015 te zijn gerekruteerd door de Eritrese overheid. Eiseres heeft hier niet aan meegewerkt omdat zij de ideologie van de Eritrese overheid niet steunt. Daarnaast is haar vader een bekende komiek die tijdens een show in Uganda grappen heeft gemaakt over de Eritrese overheid. De Eritrese overheid heeft hem toen geïntimideerd en gevraagd terug te keren naar Eritrea.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw omdat Uganda voor eiseres als veilig derde land wordt beschouwd. Daaraan heeft verweerder – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat eiseres langere periode rechtmatig in Uganda heeft verbleven, dat zij toen inkomen uit werk had en beschikte over woonruimte. De familie van eiseres woont nog steeds in Uganda. Eiseres heeft volgens verweerder daarom een zodanige band met Uganda dat het redelijk is om terug te keren. Daarnaast is volgens verweerder aannemelijk dat eiseres opnieuw tot Uganda wordt toegelaten en heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat Uganda voor haar niet als veilig derde land kan worden beschouwd.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
3. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan verweerder een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren wanneer hij een derde land voor een vreemdeling als veilig derde land beschouwt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 22 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1781) volgt dat verweerder bij de beoordeling van een veilig derde land eerst moet beoordelen of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land, dat het voor hem of haar redelijk is om daar naartoe te gaan. Verweerder moet verder beoordelen of aannemelijk is dat de vreemdeling daadwerkelijk tot het veilig derde land wordt toegelaten. Verweerder moet daarvoor aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van de vreemdeling, redenen aandragen waarom (weder)toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Als laatste moet verweerder beoordelen of de vreemdeling in het derde land volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a. eerste lid, van het Vb zal worden behandeld.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij geen band met Uganda heeft, dat niet aannemelijk is dat zij opnieuw tot Uganda zal worden toegelaten en dat Uganda geen veilig derde land is, zowel in het algemeen, als specifiek voor eiseres. Eiseres voert hiertoe – kort samengevat – aan dat zij slechts een tijdelijk verblijfsrecht van zes maanden in Uganda had en dat zij in Uganda ondergedoken leefde. Verder is het volgens eiseres niet aannemelijk dat zij opnieuw tot Uganda zal worden toegelaten. Zij heeft namelijk geen reisdocumenten om Uganda in te reizen en haar kinderen hebben niet de Eritrese nationaliteit. Van eiseres kan, gelet op haar asielrelaas, niet worden verwacht dat zij contact opneemt met de Eritrese autoriteiten om documenten aan te vragen. Uganda kan volgens eiseres daarnaast ook niet worden aangemerkt als een veilig derde land, zowel in het algemeen, als in haar specifieke geval. Eiseres verwijst hierbij naar een rapport van de immigratiedienst van Noorwegen, een rapport van de Noorse vluchtelingenraad, een rapport van UNHCR, een artikel van The Conversation en een artikel van the Guardian. Volgens eiseres volgt uit deze informatie dat de registratie van Eritrese asielzoekers in Uganda in januari 2025 is opgeschort. Eiseres zal daarom geen toegang hebben tot de asielprocedure en in het verlengde daarvan tot de opvangcentra. Daarnaast blijkt uit de rapporten ook dat er sprake is van een zeer ernstige humanitaire situatie, waaronder enorme armoede en voedseltekorten. Ook zal eiseres specifiek gevaar lopen in Uganda. Haar vader is namelijk een zeer prominent en bekend persoon die viraal is gegaan vanwege een show.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat uit het beleid van verweerder blijkt dat ten aanzien van de vraag of een derde land als veilig kan worden aangemerkt, het van belang is om informatie te hebben over de situatie voor asielzoekers en vluchtelingen in het betreffende derde land, de bescherming die zij krijgen tegen refoulement, de mogelijkheden om asiel aan te vragen en de bestaansmogelijkheden en voorzieningen voor asielzoekers en vluchtelingen. Uit het door eiser overgelegde rapport van de Noorse Vluchtelingenraad van 3 juni 2025 blijkt dat de Ugandese autoriteiten de registratie van Eritrese vluchtelingen in januari 2025 hebben opgeschort. Verweerder heeft zich hierover op de zitting op het standpunt gesteld dat nader onderzoek vereist is omdat onduidelijk is of eiseres toegang zal hebben tot de asielprocedure in Uganda. De rechtbank heeft verweerder daarom in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te verrichten. Nu verweerder heeft nagelaten om binnen de daarvoor geboden en tweemaal verlengde termijn de rechtbank te informeren over het nader onderzoek, bevat het bestreden besluit hierom al een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Het is immers niet duidelijk of eiseres en haar kinderen toegang zullen hebben tot de asielprocedure in Uganda, hetgeen volgens het beleid van verweerder wel van belang kan zijn. Voor zover verweerder zich hierover op het standpunt stelt dat eiseres in het verleden al een asielvergunning heeft gehad in Uganda, acht de rechtbank dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. Eiseres heeft hierover verklaard dat zij een tijdelijke verblijfsvergunning van zes maanden had, en dat zij deze kreeg omdat zij zich registreerde. Voor een permanente verblijfsvergunning moest ze eerst worden gehoord en tot die tijd kreeg ze een tijdelijke vergunning (pagina 13 aanvullend gehoor). Op de zitting heeft eiseres verklaard dat zij geen verblijfsvergunning had, maar dat zij procedureel rechtmatig verblijf had in Uganda. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet zonder meer dat eiseres reeds een verblijfsvergunning in Uganda had en in het verlengde daarvan volgt hieruit ook niet zonder meer dat het voor eiseres niet nodig is om toegang te hebben tot de asielprocedure in Uganda. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres geen toegang meer nodig zou hebben tot de asielprocedure, of waaruit blijkt dat eiseres als Eritrese wel toegang zou hebben tot de asielprocedure, terwijl uit het beleid van verweerder ook blijkt dat het van belang is om informatie te hebben over de mogelijkheid om asiel aan te vragen. Er is daarom sprake van een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek.
6. De rechtbank wijst er verder op dat verweerder redenen moet aangeven op grond waarvan het aannemelijk is dat eiseres zal worden toegelaten tot Uganda. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hier niet in geslaagd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder eiseres onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om tijdens een gehoor relevante omstandigheden naar voren te brengen over mogelijke toegang tot Uganda. Zo heeft verweerder enkel gevraagd of eiseres denkt dat ze kan terugkeren en waarom zij denkt dat dit niet kan. Eiseres heeft hierop geantwoord dat ze niet denkt dat ze terug kan omdat het onveilig is (pagina 19 aanvullend gehoor). Verweerder heeft geen nadere vragen gesteld over mogelijke toelating tot Uganda terwijl uit het beleid van verweerder wel blijkt dat het van belang is door te vragen naar de toegangsmogelijkheden in het derde land. Dit geldt temeer nu eiseres heeft verklaard dat zij vreest voor de Eritrese autoriteiten en haar kinderen geen documenten hebben. Op de zitting heeft eiseres hierover verklaard dat de nationaliteit van haar jongste kind onbekend is. Haar oudste kind is door de vader aangegeven bij de Griekse autoriteiten. De Griekse autoriteiten hebben toen de nationaliteit van de vader overgenomen. Volgens eiseres zijn de Eritrese autoriteiten niet op de hoogte van het bestaan van de oudste zoon van eiseres. Gelet hierop kan de overweging in het bestreden besluit dat eiseres zich eerder tot de Eritrese autoriteiten heeft gewend om haar oudste zoon aan te geven, en dat daarom van haar verwacht mag worden dat zij zich tot de Eritrese autoriteiten wendt om haar jongste zoon aan te geven, naar het oordeel van de rechtbank geen stand houden. Dat, zoals verweerder op de zitting heeft verklaard, de vraag of eiseres daadwerkelijk toegang krijgt tot Uganda een praktische vraag is die door de Dienst Terugkeer & Vertrek moet worden beantwoord, acht de rechtbank in dit kader ook onvoldoende gemotiveerd. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiseres, samen met haar kinderen, zal worden toegelaten tot Uganda. De vraag of eiseres en haar kinderen hiervoor aan de benodigde documenten kunnen komen kan hierbij ook relevant zijn. Verweerder is hiermee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inhoudelijk ingegaan op de bezwaren van eiseres. Er is ook daarom sprake van een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op hetgeen onder 5 en 6 is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken. De rechtbank ziet gelet op de omstandigheid dat verweerder heeft nagelaten om de rechtbank te informeren over het nader onderzoek, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen, of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om deugdelijk onderzoek te doen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 juli 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.