RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2779
(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),
en
(gemachtigde: [naam]).
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2025 heeft de verweerder asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
Op 22 december 2025 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld.
Op 14 januari 2026 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Op 19 januari 2026 heeft verzoeker de mondelinge kennisgeving gekregen dat hij op 22 januari 2026 zal worden overgedragen aan Duitsland.
Op 19 januari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om uitspraak te doen in de voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij aan Duitsland wordt overgedragen voordat op zijn beroep is beslist.
Verweerder heeft ingestemd met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet vanwege onverwijlde spoed uitspraak zonder zitting.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
3. Wanneer tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als verzoeker daarom vraagt. Dit kan alleen als er sprake is van onmiddellijke spoed. Dit betekent dat de beslissing op het beroep absoluut niet kan worden afgewacht. Om dit te beoordelen moet de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker afwegen tegen de belangen van verweerder.
4. Verweerder heeft telefonisch en in de in het dossier geüploade brief van 20 januari 2026 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
5. Nu partijen het er over eens zijn dat verzoeker voorlopig niet moet worden overgedragen aan Duitsland, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt uitzetting tot vier weken nadat op het beroep is beslist.
6. Omdat de gemachtigde van verzoeker niet met het instellen van beroep maar eerst op 14 januari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, was de gemachtigde van verzoeker genoodzaakt de voorzieningenrechter te verzoeken de voorlopige voorziening te treffen. Daarom is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.