ECLI:NL:RBDHA:2026:3814

ECLI:NL:RBDHA:2026:3814

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer NL 25 30478
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Machtiging tot voorlopig verblijf. Meerderjarige zoon. Jongvolwassenenbeleid. Bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hechte persoonlijke banden met broers en zussen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. K.A.W. Boonen).

Inleiding

In het besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig [referente] , en [naam 1] , de zus van eiser. Als tolk is verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.A.W. Boonen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000, heeft de Iraakse nationaliteit en verblijft op dit moment in Irak. Referente is de moeder van eiser. Zij verblijft in Nederland op basis van een asielvergunning. Zij wenst dat eiser bij haar in Nederland mag verblijven.

2. Op 22 september 2022 is er een aanvraag bij verweerder ingediend om eiser een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid te verlenen. Een mvv is een inreisvisum dat na aankomst in Nederland wordt omgezet in een verblijfsvergunning. Op 18 april 2024 is de aanvraag aangevuld. In het besluit van 27 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 26 mei 2025 is referente door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen jongvolwassene is in de zin van het beleid, dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referente, en dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn minderjarige broertjes en zusjes die bij referente in Nederland verblijven. Volgens verweerder heeft eiser namelijk een tijdje zelfstandig in de Verenigde Staten (VS) gewoond, is hij daarna niet meer teruggekeerd naar het ouderlijk gezin, en zijn referente en de broertjes en zusjes niet zodanig afhankelijk van eiser dat aan hem een mvv moet worden verleend.

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij in de VS geen eigen gezin heeft gevormd, maar dat hij daar door zijn ouders naartoe is gestuurd om hem in veiligheid te brengen. Hoewel er sprake was van een verloving met een nicht, is die verloving al snel weer verbroken en is hij na zeven maanden weer terug naar Irak gegaan en weer bij zijn ouders gaan wonen. Ook heeft hij in de VS niet in zijn eigen onderhoud voorzien. Daarnaast heeft het gezin, afgezien van deze korte onderbreking, altijd met elkaar samengeleefd en heeft eiser meegeholpen in het dagelijkse huishouden en voorzien in een deel van het inkomen. Dit overstijgt het gebruikelijke. Ook nu nog is hij afhankelijk van zijn gezinsleden in Nederland. Volgens eiser is het bestreden besluit niet in overeenstemming met verweerders Werkinstructie 2020/16 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630.

5. In het verweerschrift neemt verweerder het standpunt in dat het bestreden besluit juist is. Toen eiser in de VS verbleef heeft hij wel degelijk samengewoond met zijn verloofde. Toen hij terugkwam in Irak waren zijn ouders al vertrokken naar Nederland. Dat hij niet in zijn eigen onderhoud voorzag kwam doordat hij de taal niet sprak, niet doordat hij onvoldoende zelfstandig zou zijn. Het samenwonen en de rol van eiser in het gezin zijn niet voldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden aan te nemen. Dat eiser op dit moment wordt ondersteund door zijn gezinsleden is niet onderbouwd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Het recht op familie- en gezinsleven wordt beschermd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7. In het geval van een ouder en een meerderjarig kind is sprake van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van dit artikel als tussen hen een emotionele band bestaat met bijkomende elementen van afhankelijkheid. Of een dergelijke band aanwezig is, moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feitelijke omstandigheden. Daarbij mag geen doorslaggevend, maar wel zwaarwegend gewicht worden toegekend aan de vraag of sprake is van exclusieve afhankelijkheid.

8. Tussen meerderjarige en minderjarige broers en zussen is beschermenswaardig familieleven een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden.

9. Beschermenswaardig gezinsleven tussen een ouder en een meerderjarig kind kan, zonder dat sprake is van een band met bijkomende elementen van afhankelijkheid, uitsluitend worden aangenomen als het meerderjarige kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of een relatie. Dit wordt het jongvolwassenenbeleid genoemd en is opgenomen in onderdeel B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

10. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Eiser heeft namelijk in november 2021 zijn ouderlijk gezin verlaten en is in de Verenigde Staten gaan samenwonen met zijn nicht, tevens verloofde, en haar familie. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft referente weliswaar verklaard dat dit het idee was van haar en haar man, maar ook dat eiser het met hen eens is geworden. Toen eiser na zeven maanden terugkeerde naar Irak is hij niet opnieuw onderdeel gaan uitmaken van het ouderlijk gezin, omdat de gezinsleden op dat moment al in Nederland waren. Verweerder heeft hierbij niet in strijd gehandeld met de Werkinstructie 2020/16 of de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak van 20 november 2024.

11. Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid in de band tussen eiser en referente. Dat zij vóór eisers vertrek naar de VS lang hebben samengewoond, dat eiser hielp in het huishouden, dat eiser een deel van het inkomen leverde en dat er sprake is van gemis, is daarvoor niet voldoende. Dat er sprake is van medische problemen is niet met stukken onderbouwd, zodat niet is gebleken van versterking van de band vanwege zorgtaken. Ook is niet toegelicht hoe de traumatische situatie in Irak de band zou hebben versterkt.

12. Voor het aannemen van hechte persoonlijke banden is niet vereist dat sprake is van een band die het gebruikelijke overstijgt. Desondanks heeft verweerder ook niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn minderjarige broertjes en zusjes. Dat zij lang met elkaar hebben samengewoond, dat zij met enige regelmaat samen activiteiten ondernamen en dat eiser meehielp in het huishouden, is daartoe namelijk onvoldoende. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat de ouders altijd de primaire verzorgers zijn geweest.

13. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.

14. Er bestaat om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 februari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.F.Th. de Roos

Griffier

  • mr. A.S. Hamans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?