ECLI:NL:RBDHA:2026:3822

ECLI:NL:RBDHA:2026:3822

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 09/171409-23 (dagvaarding I), 09/202753-24 (dagvaarding II, ttz. gev.) en 09/094467-24 (dagvaarding III, ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren met aftrek voor medeplegen van moord en wapenbezit. Schietincident in woonwijk. De verdachte was de bestuurder van het vluchtvoertuig. Verwerping verweren verdediging met betrekking tot alternatieve scenario’s. Vrijspraak voor handel in softdrugs tijdens detentie. Toewijzen gevorderde affectieschade nabestaanden. Gevorderde schokschade nabestaanden deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard. Gevorderde materiele schade, waaronder gederfd levensonderhoud, bij een aantal nabestaanden deels toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/171409-23 (dagvaarding I), 09/202753-24 (dagvaarding II, ttz. gev.) en 09/094467-24 (dagvaarding III, ttz. gev.)

Datum uitspraak: 27 februari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

op dit moment (uit andere hoofde) gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 januari 2024, 2 en 9 april 2024, 27 juni 2024, 3 september 2024, 28 november 2024 (alle pro forma), 16 en 30 januari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 27 februari 2026 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van wat door de verdachte en zijn raadslieden mr. L.A. Versteegh en mr. V. Poelmeijer (hierna: de verdediging) naar voren is gebracht.

[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak waren [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] aanwezig, bijgestaan door hun advocaat mr. A.Y. Bleeker.

Verder hebben [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak was [benadeelde partij 5] aanwezig, bijgestaan door haar advocaat mr. F.J.M. Hamers.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van dagvaarding II op de terechtzitting van 30 januari 2026 – ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van dagvaarding I

hij op of omstreeks 23 juni 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [het slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen één of meer kogels af te schieten op het hoofd en/of het lichaam van die [het slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] (op 23 juni 2023) is overleden;

Ten aanzien van dagvaarding II

hij op of omstreeks de periode van 26 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, negen, althans een hoeveelheid wapen(s) en/ of (bijbehorende) munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten negen , althans een of meer (omgebouwde) gaspiso(o)l(en), waarvan één van het merk Umarex, type Glock, 17, kaliber 9 mm en/of acht, althans een of meer (omgebouwde) gaspisto(o)l(en) van het merk Aksa, type AK17-K7, kaliber 9 mm, zijnde een of meer vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of (bijpassende) munitie, te weten 43, althans een hoeveelheid kogelpatronen, waarvan 15 stuks 9 mm (9x17) en/of ca 28 stuks 9 mm (9x19), van het merk Sellier & Bellot voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van dagvaarding III

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 december 2023 tot en met 17 januari 2024 te Krimpen aan den IJssel, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep en een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding

De strafzaak tegen de verdachte is onderdeel van een strafrechtelijk onderzoek, genaamd India23.

Dat onderzoek is gestart naar aanleiding van een schietincident op 23 juni 2023 omstreeks 20:40 uur in de [straatnaam 1] te Den Haag, waarbij [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ) om het leven is gekomen. Uit getuigenverklaringen en uit onderzoek is gebleken dat [het slachtoffer] , die in zijn personenauto zat, door een persoon, die als bijrijder achterop een motorscooter zat, met twee schoten is neergeschoten. Ten gevolge van deze schoten is [het slachtoffer] ter plaatse overleden. Na onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de verdachte de bestuurder is geweest van de motorscooter. De verdachte werd op 6 oktober 2023 aangehouden.

Na de aanhouding van de verdachte heeft op 9 oktober 2023 – onder andere – een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres 1] te Zoetermeer , een van de verblijfsadressen van de verdachte. Ter hoogte van voornoemde woning stond een personenauto van het merk Citroën, type C3 met het kenteken [kenteken 1] (hierna: de Citroën C3), geparkeerd. Gedurende het onderzoek is gebleken dat deze auto – onder andere – door de verdachte werd gebruikt. In de kofferbak daarvan is een jutten boodschappentas met daarin negen handvuurwapens met bijbehorende munitie aangetroffen.

Gedurende de voorlopige hechtenis van de verdachte werden in het kader van het onderzoek in de penitentiaire inrichting tijdens zijn bezoekuren vertrouwelijke gesprekken opgenomen en uitgeluisterd. Uit deze gesprekken is het vermoeden ontstaan dat de verdachte tijdens zijn detentie in de penitentiaire inrichting handelde in hennep, waarbij hij hennep aan medegedetineerden zou hebben verkocht.

Aan de verdachte wordt verweten dat hij: - tezamen en in vereniging met een ander en met voorbedachte raad [het slachtoffer] van het

leven heeft beroofd (dagvaarding I);

- tezamen en in vereniging met een ander of anderen negen vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad (dagvaarding II);

- heeft gehandeld in hennep (dagvaarding III).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I en III ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van dagvaarding II heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van dagvaarding III

De rechtbank acht het bij dagvaarding III ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank kan op grond van de thans voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet in voldoende mate vaststellen dat de door de medegedetineerden overgemaakte geldbedragen naar de bankrekening van de verdachte betrekking hebben op de handel in softdrugs. De verklaring van de verdachte dat deze bedragen betrekking hebben op boodschappen, kan op grond van de bewijsmiddelen niet weerlegd of uitgesloten worden. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de verdachte in het getapte gesprek niet met zoveel woorden zegt dat hij handelt in softdrugs en dat op zijn cel bij een doorzoeking geen handelshoeveelheden softdrugs zijn aangetroffen.

De verdachte wordt dan ook van het bij dagvaarding III ten laste gelegde vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank heeft ten aanzien van dagvaarding I in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van dagvaarding II heeft de rechtbank in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen. De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de verdediging geen vrijspraak bepleit.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van dagvaarding I

Gelet op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af.

Het schietincident

Op 23 juni 2023 omstreeks 20:40 uur werd [het slachtoffer] , die in zijn personenauto zat, in de [straatnaam 1] te Den Haag door twee schoten uit een vuurwapen om het leven gebracht.

De schoten werden afgevuurd door een persoon die als bijrijder op een motorscooter met een wit buitenlands kenteken zat. De motorscooter werd bestuurd door een tweede persoon en zij zijn na het schietincident weggereden.

Getuigen hebben verklaard dat de schutter en de bestuurder van de motorscooter donkerkleurige helmen en kleding droegen.

Het vuurwapen waarmee [het slachtoffer] om het leven is gebracht, is ongeveer twee maanden na het schietincident aangetroffen bij een persoon genaamd [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Het dossier bevat verder geen aanknopingspunten voor betrokkenheid van [medeverdachte] bij het schietincident; het vuurwapen is via anderen aan [medeverdachte] verkocht.

Het vluchtvoertuig

Na het schietincident werden diverse camerabeelden uit de directe omgeving van de [straatnaam 1] te Den Haag bekeken.

Op de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg werden op 23 juni 2023 om 20:42 uur twee personen met donkerkleurige helmen en kleding op een motorscooter waargenomen. Op grond van de uiterlijke kenmerken van de motorscooter kan geconcludeerd worden dat de motorscooter een motorscooter van het merk BMW, type C650 Sport betreft (hierna: de BMW C650 Sport).

De verdachte was in het bezit van een dergelijke motorscooter. De BMW C650 Sport die de verdachte in zijn bezit had, vertoonde qua uiterlijke kenmerken en (specifieke) opties grote gelijkenissen met de motorscooter die op de beelden van de [adres 2] te Voorburg te zien is. De rechtbank verwijst daarbij met name naar het verhoogde stuk op het windscherm en de rugsteun. Dit betreffen geen onderdelen die standaard bij de motorscooter geleverd worden.

Door een ANPR-camera aan de Laan van Kans in de wijk Ypenburg te Den Haag werd op

23 juni 2023 te 20:44:43 uur een motorscooter met daarop twee personen en een wit Spaans kenteken [kenteken 2] waargenomen. De motorscooter en de personen op de motorscooter vertonen grote gelijkenissen met de motorscooter en de twee personen die op de beelden van de [adres 2] te Voorburg te zien zijn.

Het witte Spaanse kenteken [kenteken 2] bleek te horen bij een scooter van het merk Vespa, die is gestolen in de nacht van 31 mei 2023 op 1 juni 2023 uit een parkeergarage van een wooncomplex aan de Simon Carmiggelthof te Den Haag.

De motorscooter op de hiervoor genoemde beelden was dus voorzien van een gestolen kentekenplaat.

Op 10 juni 2023 heeft een verbalisant in het pand [adres 3] te Zoetermeer een motorscooter van het merk Vespa, voorzien van het Spaanse kenteken [kenteken 2] , waargenomen. De verdachte is de (gedeeltelijke) huurder van dit pand. De verbalisant nam ook een Citroën C3 met het kenteken [kenteken 3] waar. Deze Citroën C3 werd door de verdachte vanaf 9 juni 2023 gehuurd.

Op 23 november 2023 werd een BMW C650 Sport aangetroffen in een kelderbox aan de Boekhorststraat 62C in Den Haag. Na onderzoek is gebleken dat dit de motorscooter van de verdachte betrof. Op deze motorscooter werd ook een DNA-spoor van de verdachte aangetroffen.

Van deze motor waren diverse stickers verwijderd, waarvan de resten nog zichtbaar waren, te weten:

- op de kappen naast de bijrijder, waarbij het woord "Performance" leesbaar was;

- op de rechterkap, aan de voorzijde onder het stuur, met restanten van ronde stickers met stippen;

- op de rechterzijkap aan de voorzijde, nabij de koplampen, welke het woord "BMW Motorsport" vormde;

- op de linkerkap, aan de voorzijde onder het stuur, restanten van ronde stickers met stippen.

Vorenstaande (verwijderde) kenmerken komen overeen met de motorscooter op de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg .

Tussenconclusie

Op grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – stelt de rechtbank vast dat de BMW C650 Sport van de verdachte de motorscooter is die bij het schietincident is gebruikt, waarbij [het slachtoffer] om het leven is gekomen.

Was de verdachte de bestuurder van de motorscooter?

Op de beelden van de [adres 2] te Voorburg en op de beelden van de Laan van Kans in Den Haag is te zien dat de bestuurder van de motorscooter vermoedelijk een zwarte The North Face jas en Nike Air Max '95 schoenen aan had.

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij een zwarte The North Face jas en Nike Air Max '95 schoenen in zijn bezit heeft gehad.

De verdachte was verder in het bezit van soortgelijke helmen als de helmen die de bestuurder en de schutter bij het schietincident op hadden. Op camerabeelden in het dossier uit een ander strafrechtelijk onderzoek is te zien dat de verdachte en zijn (toenmalige) partner soortgelijke helmen op hadden. Daarbij merkt de rechtbank op dat het gaat om twee verschillende helmen, waarbij deze combinatie van twee verschillende helmen overeenkomt met de twee helmen die zijn gedragen door de bestuurder en bijrijder van de motorscooter. Tevens werd in het pand aan de [adres 3] te Zoetermeer een soortgelijke helm aangetroffen als de helm die werd gedragen door de bestuurder van de motorscooter.

Op de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg is tevens te zien dat de bestuurder van de motorscooter iets wits aan zijn linker onderarm en -hand had.

De verdachte had rondom de periode van het schietincident gips om zijn linkerhand. Op 20 juni 2023 heeft er een gipswissel plaatsgevonden, waarbij het gips is vervangen en rood gaas er overheen is aangebracht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na 20 juni 2023 zijn pink en ringvinger vrij kon bewegen en dat de overige vingers gefixeerd waren door het gips. Dit past bij het beeld van de bestuurder van de motorscooter op de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg die zijn linkerhand aan het stuur heeft.

De verdachte heeft tevens verklaard dat hij op 22 juni 2023 een deel van het rode gaas eigenhandig (de rechtbank begrijpt: slechts) tot zijn knokkels heeft verwijderd.

Op een video die in de mobiele telefoon van G.J.A. Domenie (hierna: Domenie, een nauw contact van de verdachte) werd aangetroffen, is te zien dat het gips van de verdachte om zijn linkerhand vanaf polshoogte niet roodkleurig was. Deze video is in de nacht direct na het schietincident gemaakt. Dit past bij het beeld van het witte gedeelte om de pols van de bestuurder van de motorscooter op de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg .

Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte het gips op 24 juni 2023 zelf heeft verwijderd of heeft laten verwijderen. De verdachte heeft dus, kort na het schietincident, het gips verwijderd dat pas enkele dagen daarvoor was aangebracht.

Tussenconclusie II

Op grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – concludeert de rechtbank dat de verdachte de bestuurder van de motorscooter is geweest die betrokken is geweest bij het schietincident op 23 juni 2023, waarbij [het slachtoffer] om het leven is gekomen.

Kon de verdachte de route afleggen?

De verdediging heeft aangevoerd dat het voor de verdachte niet mogelijk is geweest om vanaf de [adres 3] om 20:17 uur – het laatste moment dat de verdachte een bericht verstuurde – naar de Laan van Hoornwijck te rijden en daar om 20:33 uur te zijn. Daarbij betrekt de verdediging de af te leggen route en de omstandigheid dat de verdachte op dat moment zijn arm in het gips had.

De politie heeft geverbaliseerd dat de route van de [adres 3] in Zoetermeer naar de Laan van Hoornwijck is af te leggen in 14 minuten, zonder verkeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen en gelet op de routebeschrijving zoals gerelateerd door de politie is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte deze route binnen het gegeven tijdsbestek heeft kunnen afleggen. Dat de verdachte zijn arm in het gips had, maakt dat niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit onderzoek naar het type motorscooter is gebleken dat deze eenvoudig te besturen is. Het remmen kost nagenoeg geen kracht en met de rechter hand kan gas worden gegeven én de voorrem worden bediend, die 80% van de remkracht levert. Dit wordt bevestigd in het deskundigenrapport dat ten behoeve van deze zaak is opgesteld. Daaruit maakt de rechtbank op dat de BMW C650 Sport een wendbaar voertuig is waarbij van richting veranderd kan worden zonder de linkerhand te gebruiken en waarbij de achterrem aan de linkerzijde van de motorscooter in beperkte mate de totale remkracht bepaalt. Ook uit de rapportage van een forensisch arts die de geneeskundige informatie ten aanzien van de hand van de verdachte in ogenschouw heeft genomen, volgt dat het ‘zeer wel mogelijk is om de handelingen te verrichten die volgens het rapport van de deskundige tweewielige motorvoertuigen nodig zijn om een BMW C 650 Sport te besturen en een traject af te leggen’. Tot slot neemt de rechtbank in overweging dat de verdachte een geoefende motorrijder is.

De verweren van de verdediging dat de verdachte de vastgestelde route niet binnen het gestelde tijdsbestek kon afleggen of dat hij door de blessure aan zijn linkerhand de motorscooter niet naar behoren kon besturen, worden op grond van het vorenstaande dan ook verworpen.

Alibi en alternatieve scenario’s

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte om 20:32 uur met zijn telefoon een telefoongesprek heeft gevoerd vanaf de [adres 3] in Zoetermeer en dus een alibi heeft voor het moment van het schietincident.

De rechtbank deelt deze conclusie niet. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden afgeleid dat met de telefoon van de verdachte om 20:32 uur een open verbinding tot stand is gebracht, maar niet dat de verdachte op dat moment zelf een telefoongesprek heeft gevoerd. Het enkele gegeven dat met de telefoon van de verdachte een open verbinding tot stand is gebracht, legt in het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen te weinig gewicht in de schaal om tot een andere waardering van het bewijs te komen. Verder draagt aan dat oordeel bij dat de telefoon van de verdachte op 23 juni 2023, tussen 20:17 uur en 21:56 uur, geen (uitgaande) activiteit heeft geregistreerd.

De verklaring van de verdachte dat hij niet wist waar zijn motorscooter was en niets afwist van een gestolen Spaanse kentekenplaat, is niet aannemelijk geworden.

In de bestanden in de iCloud van de verdachte, werd een WhatsApp-gesprek aangetroffen. In het WhatsApp-gesprek werd door de verdachte op 8 juni 2023 om 18:26:22 uur een video verstuurd. Daarop is in het pand [adres 3] te Zoetermeer een scooter te zien, voorzien van een witte kentekenplaat [kenteken 2] .

Tevens werd een WhatsApp-gesprek van 3 juni 2023 aangetroffen tussen de verdachte en [naam 1] . Tijdens het chatgesprek werd door de verdachte een video gestuurd, waarop het pand [adres 3] te Zoetermeer en de BMW C650 Sport, voorzien van het kenteken [kenteken 4] te zien is. Dit kenteken hoort volgens gegevens van de RDW bij een ander voertuig.

De rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat de kentekenplaat [kenteken 2] zich reeds op 8 juni 2023 bevond in het pand aan de [adres 3] te Zoetermeer , die (deels) door de verdachte werd gehuurd, en dat de motorscooter van de verdachte reeds op 3 juni 2023 was voorzien van een valse kentekenplaat.

Ook de andere door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario’s worden door de rechtbank verworpen, nu deze worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De rechtbank neemt de navolgende feiten en omstandigheden in overweging.

Het baken

Na het lossen van de twee schoten op [het slachtoffer] en voordat de motorscooter is weggereden, heeft de schutter onder de voorkant van de auto van [het slachtoffer] een zwart voorwerp gepakt en meegenomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat dit een baken betrof.

Het baken, een Veeta GT02, was voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en was in gebruik tussen 11 juni 2023 te 21:01 uur en 25 juni 2023 te 00:17 uur. Dat baken heeft in die periode meebewogen met de auto van [het slachtoffer] .

Het telefoonnummer van het baken maakte op 11 juni 2023 te 20:20 uur voor het eerst gebruik van het telecomnetwerk, te weten het basisstation aan de [adres 4] te Zoetermeer. In het bereik van het basisstation [adres 4] te Zoetermeer valt de [adres 3] te Zoetermeer . Na het schietincident maakt het nummer van 23 juni 2023 te 20:57 uur tot en met 25 juni 2023 te 00:17 uur gebruik van het basisstation Ypenburgse Boslaan te Den Haag. Dit is in de directe omgeving van de Laan van Kans in Ypenburg, waarop de verdachte en de schutter op verdachtes motorscooter vlak na het schietincident door een ANPR-camera zijn geregistreerd.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft op 11 juni 2023 acht sms-berichten ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Dit laatste telefoonnummer werd op 5 juni 2023 te 14:25 uur opgewaardeerd met een voucher die door [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op 5 juni 2023 bij een tankstation in Zoetermeer is aangeschaft.

[naam 2] is een nauw contact van de verdachte en via [naam 2] huurde de verdachte het pand aan de [adres 3] te Zoetermeer .

De telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] , die bij de verdachte in gebruik waren, hebben tussen 9 juni 2023 en 23 juni 2023 veelvuldig gebruik gemaakt van dezelfde basisstations of basisstations in de directe omgeving waar ook het telefoonnummer behorend bij het baken gebruik van maakte.

Ook op 11 juni 2023 om 20:20 uur, toen het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd geactiveerd, en later die avond rond 22:12 uur maakte het telefoonnummer [telefoonnummer 3] van de verdachte gebruik van hetzelfde basisstation als het telefoonnummer van het baken, te weten het basisstation aan de [adres 4] te Zoetermeer.

Het telefoonnummer van het baken maakte op 11 juni 2023 te 22:25 uur gebruik van een basisstation in Zoetermeer. Op 12 juni 2023 te 03:33 uur maakte het GPS-baken gebruik van het basisstation [adres 5] te Rijswijk. Dit basisstation heeft de [straatnaam 2] te Den Haag, het verblijfadres van [het slachtoffer] , binnen zijn theoretisch bereik.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat tussen 9 juni 2023 en 23 juni 2023 in gebruik was bij de verdachte, maakte op 11 juni 2023 tussen 11:18 uur en 11 juni 2023 te 22:14 uur gebruik van het basisstation [adres 4] te Zoetermeer. Om 23:35 uur maakte het telefoonnummer gebruik van het basisstation [adres 5] te Rijswijk.

Verder maakte de Citroën C3, die vanaf 9 juni 2023 door de verdachte werd gehuurd, op 11 juni 2023 te 23:36 uur gebruik van het basisstation [adres 5] te Rijswijk.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had [het slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Ook hier wijzen de wijze waarop [het slachtoffer] van het leven is beroofd en de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de schutter en de verdachte, zoals hierboven omschreven, op een nauwe en bewuste samenwerking tussen de schutter en de bestuurder van de motorscooter, te weten de verdachte. De verdediging heeft hieromtrent ook geen verweren gevoerd.

Eindconclusie

De rechtbank acht het bij dagvaarding I ten laste gelegde medeplegen van moord op [het slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van dagvaarding II

Gelet op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van de verdachte op de terechtzitting, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 26 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Zoetermeer, samen met anderen, negen vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

Het bij dagvaarding II ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van dagvaarding I

hij op 23 juni 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander [het slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen kogels af te schieten op het hoofd en het lichaam van die [het slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] op 23 juni 2023 is overleden;

Ten aanzien van dagvaarding II

hij in de periode van 26 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met anderen, negen wapens en bijbehorende munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten negen, omgebouwde gaspistolen, waarvan één van het merk Umarex, type Glock, 17, kaliber 9 mm en acht omgebouwde gaspistolen van het merk Aksa, type AK17-K7, kaliber 9 mm, zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool en bijpassende munitie, te weten 43 kogelpatronen, waarvan 15 stuks 9 mm (9x17) en 28 stuks 9 mm (9x19), van het merk Sellier & Bellot voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Verder heeft de officier van justitie de opheffing van de schorsing bij uitspraak gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan de verdachte, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van dagvaarding I en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De moord op [het slachtoffer]

De verdachte heeft samen met een ander [het slachtoffer] vermoord. Moord behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren vastgesteld. De achtergrond daarvan is, dat door dit misdrijf niet alleen aan iemand het leven wordt ontnomen, maar dat dit ook gebeurt ingevolge een tevoren daartoe beraamd plan. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit delict geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft in aanmerking genomen de straffen die recentelijk zijn opgelegd voor een enkelvoudige moord.

In een zaak als de onderhavige staat de ernst van het feit voorop. De aard en de ernst van het bewezenverklaarde maken dan ook dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van lange duur. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank met het volgende rekening gehouden.

De manier waarop [het slachtoffer] volgens een vooropgezet plan in een woonwijk met een pistool is neergeschoten, moet als ronduit schokkend worden aangemerkt. [het slachtoffer] is daarmee op een gewelddadige manier van zijn leven beroofd.

Veel buurtbewoners hebben schoten gehoord en de schietpartij zien gebeuren. De moord heeft bij de buurtbewoners veel angst en een onveilig gevoel bezorgd. Deze moord draagt bij aan een gevoel van onveiligheid in de maatschappij.

De nabestaanden van [het slachtoffer] is onherstelbaar leed aangedaan. De weduwe van de verdachte is geconfronteerd met de gevolgen van deze gebeurtenis en zij staat voor de zware opgave om haar leven en de opvoeding van hun nog jonge dochter zonder haar overleden echtgenoot vorm te geven. Uit de toelichting van de nabestaanden is ook gebleken dat de dochter van [het slachtoffer] het moeilijk heeft met het gemis van haar vader. Daarnaast hebben de vader, broer en zus toegelicht wat de moord op hun zoon en broer voor hen heeft betekend. Voor hen is extra wrang dat [het slachtoffer] , na een eerdere aanslag te hebben overleefd, alsnog op zo een gewelddadige manier om het leven is gebracht.

De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen en door zijn ontkennende houding is weinig inzicht verkregen in de achtergronden en de mededader van deze liquidatie.

De rechtbank acht het ook uit een oogpunt van normbevestiging en vergelding noodzakelijk een hoge gevangenisstraf op te leggen.

Wapenbezit

De verdachte is ook schuldig aan wapenbezit. Na zijn aanhouding heeft de politie in een auto die bij de verdachte in gebruik was negen vuurwapens en daarbij behorende munitie aangetroffen.

Tegen wapenbezit wordt in de regel streng opgetreden met het oog op de veiligheid van personen en om te voorkomen dat wapens voor criminele activiteiten worden gebruikt.

Het is daarnaast zeer verontrustend dat de verdachte, die betrokken is geweest bij de liquidatie van [het slachtoffer] , beschikte over dergelijke vuurwapens. Dat maakt dat het voorhanden hebben van dergelijke wapens in het geval van de verdachte een onaanvaardbaar risico oplevert.

Het strafblad van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 januari 2026. Daaruit volgt – onder andere – dat de verdachte laatstelijk op 26 juni 2024 is veroordeeld tot een aanzienlijke gevangenisstraf ter zake van witwassen en Opiumwetdelicten.

Slotsom

De slotsom is dat de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van tweeëntwintig jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van het bij dagvaarding III ten laste gelegde. Voorts heeft de rechtbank, gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met voornoemde veroordeling van de verdachte op 26 juni 2024. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachte, hoewel hij een essentiële rol heeft vervuld bij de liquidatie van [het slachtoffer] , niet de schutter is geweest die de dodelijke schoten op [het slachtoffer] heeft afgevuurd.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis geschorst tot aan het moment van deze einduitspraak. De voorlopige hechtenis zal op het moment van uitspraak van rechtswege herleven. Een opheffing van de schorsing, zoals door de officier van justitie gevorderd, is daarom niet nodig.

Als een veroordeling wordt uitgesproken en een straf is bepaald, mag de samenleving in het kader van een goede rechtspleging verwachten dat die gemotiveerde straf direct ten uitvoer wordt gelegd, zeker bij de oplegging van een langdurige gevangenisstraf voor een zeer ernstig feit zoals in het onderhavige geval. De rechter heeft zich immers uitgesproken en bepaald dat het gedrag van de verdachte een lange gevangenisstraf wenselijk en noodzakelijk maakt. Een hernieuwde schorsing door dezelfde rechter die op het moment van schorsing nadrukkelijk heeft aangegeven dat die tijdelijk was, immers tot het moment waarop vonnis wordt gewezen, is dan ook niet uit te leggen aan de maatschappij, behoudens in bijzondere gevallen. Een dergelijk bijzonder geval doet zich in dit geval niet voor. Een hernieuwde afweging van de belangen van de maatschappij en de verdachte leidt voor de rechtbank tot de conclusie dat de strafvorderlijke belangen bij de detentie van de verdachte nu zwaarder moeten wegen dan de belangen van de verdachte en maken dat de voorlopige hechtenis niet opnieuw zal worden geschorst om een andere straf uit te zitten.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.500,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.

[benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.654,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[benadeelde partij 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.385,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade.

[benadeelde partij 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 171.402,50, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 116.402,50 aan materiële schade, € 30.000,00 aan immateriële schade, € 20.000,00 aan affectieschade en € 5.000,00 aan nader te onderbouwen schade.

[benadeelde partij 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 62.470,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit primair € 7.470,00, subsidiair € 5.2000,00 aan materiële schade, € 30.000,00 aan immateriële schade, € 20.000,00 aan affectieschade en € 5.000,00 aan nader te onderbouwen schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van dagvaarding I.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat een behandeling van de vorderingen van een aantal benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu de verdediging als strafrechtadvocaten onvoldoende kennis van het civiele recht heeft om zich tegen dergelijke ingewikkelde vorderingen te verweren.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde schokschade, gelet op de vigerende jurisprudentie, niet kan worden gevorderd, zodat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de gevorderde schokschade.

Het oordeel van de rechtbank

Algemene overweging ten aanzien van de ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen

De verdediging heeft aangevoerd dat de vorderingen van een aantal benadeelde partijen te complex zouden zijn en dat daarom een behandeling van deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdediging heeft gesteld dat zij als strafrechtadvocaten onvoldoende kennis hebben van het civiele recht om zich tegen dergelijke ingewikkelde vorderingen te kunnen verweren.

De rechtbank stelt vast dat alle benadeelde partijen hun vorderingen ruimschoots voor de inhoudelijke behandeling hebben ingediend. Door de verdediging zijn geen concrete punten naar voren gebracht waarom deze vorderingen te complex zijn om verweer op te voeren. De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende tijd gehad om op de terechtzitting de vorderingen gemotiveerd te betwisten. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om de benadeelde partijen reeds daarom niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Algemene overwegingen ten aanzien van schokschade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door:

(i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of

(ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.

Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond.

Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.

Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.

Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.

De hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958).

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De rechtbank heeft het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit bewezenverklaard.

De benadeelde partij betreft de vader van het slachtoffer en daarom een naaste in de zin van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal de vordering ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 17.500,00 toewijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 1] .

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De rechtbank overweegt dat uit de door de benadeelde partij gegeven toelichting niet blijkt dat sprake is geweest van een (directe) confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde.

De benadeelde partij ontving op 23 juni 2023 het nieuws dat haar broer om het leven is gebracht en na een paar dagen na de dood van het slachtoffer, is de benadeelde partij in de moskee geconfronteerd met het levenloze en verwonde lichaam van haar broer. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit een diepe indruk heeft gemaakt op de benadeelde partij is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen komen tot toekenning van de gevorderde schokschade.

De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Nader onderzoek naar de gronden voor schokschade zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 6.654,00, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.654,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 3] .

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Ten aanzien van de gevorderde schokschade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Zij verwijst daarbij naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] . De benadeelde partij heeft ook materiële schade gevorderd die volgens de vordering te relateren is aan schokschade. In het verlengde van het voorgaande wordt de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

De post “Gederfd levensonderhoud”

De vordering ten aanzien van deze post is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een rapport van Laumen Expertise. De benadeelde partij baseert haar vordering op artikel 6:108 lid 1BW. Voor de berekening van de gevorderde schade is aangesloten bij de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade. Deze richtlijn is een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Op basis van deze richtlijn heeft Laumen Expertise aan de hand van onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten berekend wat de omvang is van het door de benadeelde partij gederfde levensonderhoud.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek op de terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bij dagvaarding I bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit gederfd levensonderhoud.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van € 114.285,00.

De post “Factuur Laumen”

De vordering ten aanzien van deze post is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 2.117,50.

Tussenconclusie

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 116.402,50.

De post “Schokschade”

De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering op de terechtzitting nader toegelicht.

De rechtbank stelt vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht. Zij heeft op de dag van het delict ter plaatse het levenloze lichaam van haar echtgenoot zien liggen.

Het vorenstaande heeft geleid tot geestelijk letsel bij de benadeelde partij, te weten een posttraumatische stressstoornis.

Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade in de vorm van schokschade. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 30.000,00.

De post “Affectieschade”

De rechtbank heeft het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit bewezenverklaard.

De benadeelde partij betreft de echtgenote van het slachtoffer en daarom een naaste in de zin van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder a BW. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal de vordering ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 20.000,00 toewijzen.

Tussenconclusie

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 50.000,00.

De post “Nader te onderbouwen schade”

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Eindconclusie

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde schade toewijzen tot een bedrag van € 166.402,50.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 166.402,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 5] .

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

De post “Gederfd levensonderhoud”

De vordering is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd middels een rapport van Laumen Expertise. De benadeelde partij baseert haar vordering op artikel 6:108 lid 1BW. Voor de berekening van de gevorderde schade is aangesloten bij de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade. Deze richtlijn is een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Op basis van deze richtlijn heeft Laumen Expertise aan de hand van onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten berekend wat de omvang is van het door de benadeelde partij gederfde levensonderhoud.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek op de terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bij dagvaarding I bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit gederfd levensonderhoud.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van € 7.470,00.

Tussenconclusie

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 7.470,00.

De post “Immateriële schade”

De benadeelde partij vordert immateriële schade op grond van aantasting in de persoon 'op andere wijze’ (anders dan schockschade).

De rechtbank overweegt dat in beginsel de schadevergoedingsaanspraak van de naasten van de overledene is beperkt tot de in de artikel 6:108, eerste tot en met vierde lid, BW genoemde schadeposten. Het gaat dan om gederfd levensonderhoud, kosten van lijkbezorging en affectieschade.

Desalniettemin is het mogelijk dat een schadevergoedingsaanspraak bestaat door inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (vgl. het arrest van 17 december 2025 van het Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2025:2700). Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat een inbreuk op een fundamenteel recht nog niet maakt dat sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Zonder afbreuk te doen aan hoe het voor de benadeelde moet zijn om zonder haar vader op te groeien, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de omstandigheden in dit geval die conclusie niet worden getrokken. Nadere bewijsvoering hierover zou naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De post “Affectieschade”

De rechtbank heeft het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit bewezenverklaard.

De benadeelde partij betreft de dochter van het slachtoffer en daarom een naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal de vordering ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 20.000,00 toewijzen.

Tussenconclusie

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 20.000,00.

De post “Nader te onderbouwen schade”

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Eindconclusie

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde schade toewijzen tot een bedrag van € 27.470,00.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.470,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 6] .

Duur van de gijzeling

De rechtbank zal conform artikel 36f lid 5Sr en artikel 6:4:20 Sv, bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel bepalen voor welke duur gijzeling kan worden toegepast bij niet of niet volledige betaling. Omdat de duur van de gijzeling, gelet op artikel 60a Sr, in totaal maximaal één jaar mag belopen, zal de rechtbank het aantal dagen gijzeling per schadevergoedingsmaatregel naar rato van het toegewezen bedrag bepalen.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 5 genoemde voorwerp zal worden verbeurdverklaard en dat de onder 6 tot en met 14 genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen verzocht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 6 tot en met 14 genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot het op de beslaglijst onder 5 genoemde voorwerp geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 36f, 47, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I

medeplegen van moord

ten aanzien van dagvaarding II

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 22 (TWEEËNTWINTIG) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden eindigt;

vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 1];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 29 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 6.654,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.654,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 3];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 166.402,50 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 166.402,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 5];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 279 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 27.470,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering ten aanzien van de post “Immateriële schade” slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.470,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 6];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 46 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

beslag

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 6 tot en met 14 genoemde voorwerpen, te weten:

61 STK Pistool(Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029312, Umarex)

71 STK Pistool(Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029564, Aksa)

81 STK Pistool(Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029566, Aksa)

91 STK Pistool(Omschrijving: Pl1500-2023193277 Goednummer 3029566, Aksa)

101 STK Pistool(Omschrijving: Pl1500-2023193277 Goednummer 3029572, Aksa)

111 STK Pistool(Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029574, Aksa)

121 STK Pistool(Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029577, Aksa)

131 STK Pistool(Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029578, Aksa)

141 STK Pistool(Omschrijving: Pl1500-2023193277 Goednummer 3029569, Aksa17);

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 5 genoemde voorwerp, te weten:

5

1. STK Personenauto[kenteken 1](Omschrijving: PL1500-2023193277-2981916, Zwart, merk: Citroën).

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. S. Pereth, rechter,

mr. E.R.F. van Engelen, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.C. Kole
  • mr. S. Pereth
  • mr. E.R.F. van Engelen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?