Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693200 / KG ZA 25-1026
Vonnis in kort geding van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser] , verblijvende in [instelling] te [plaats] ,
eiser,
advocaten mr. S. Schuurman en mr. A.B. Kardes, beiden te Breukelen,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. H.W. Volberda te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 20 november 2025, met producties 1 tot en met 20;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8;
- de door [eiser] overgelegde producties 21 en 21a tot en met 21d.
De eerste mondelinge behandeling is gehouden op 28 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
Vervolgens is de behandeling van de zaak aangehouden om [eiser] in de gelegenheid te stellen om aan de Staat (het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)) duidelijk te maken dat hij betalingsonmachtig is en om inzage te geven in zijn financiële situatie, onderbouwd met alle relevante stukken.
In een brief van 9 februari 2026 heeft mr. M.N. Schouten, een kantoorgenoot van de advocaat van de Staat, namens de Staat uiteengezet waarom [eiser] er volgens de Staat niet in is geslaagd om zijn betalingsonmacht te onderbouwen.
[eiser] heeft nog de navolgende stukken in het geding gebracht: een brief van mr. S. Schuurman aan de Staat van 19 januari 2026, voorzien van bijlagen, waarin een toelichting wordt gegeven op de financiële situatie van [eiser] (productie 22) en een nadere toelichting op de situatie met betrekking tot de aandelen in [bedrijf] van 10 februari 2026 (productie 23).
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. De advocaten van [eiser] hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen, die deel uitmaken van het dossier.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.
2. Inleiding
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. Uitgangspunt in deze procedure is dat [eiser] volgens de hem opgelegde ontnemingsmaatregel op enig moment beschikte over een aanzienlijk vermogen dat hij wederrechtelijk heeft verkregen. Volgens [eiser] is dit aanzienlijke vermogen geheel verdampt, waardoor hij niets aan de Staat kan betalen. Hij heeft alleen een bedrag van € 500.000 hiervan gebruikt om in een andere procedure met de Staat een regeling te treffen. Het is aan [eiser] om verifieerbaar uit te leggen dat hij niet meer beschikt over dit aanzienlijke vermogen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] , hoewel zij hem hiervoor nog een extra termijn heeft gegund, hierin niet is geslaagd. Zijn toelichting blijft vaag en is ofwel niet met stukken onderbouwd of de schriftelijke toelichting roept ook weer vragen op. Bij dit alles helpt niet dat [eiser] , waar hij stelt dat hij sinds 2021 alles wat hij kon missen aan de Staat heeft betaald, de opbrengst van een aandelentransactie juist niet heeft aangewend om de Staat te betalen. De omstandigheid dat [eiser] wordt gegijzeld, is het gevolg van zijn gedrag in het verleden, het gevolg van de omstandigheid dat hij kennelijk sindsdien niet (goed) heeft bijgehouden wat er met het door hem wederrechtelijk verkregen vermogen is gebeurd en het gevolg van het nog recentelijk achterhouden van de opbrengst van een aandelentransactie. Als gevolg hiervan kon het CJIB in redelijkheid oordelen dat zij over onvoldoende informatie beschikt om, gelet op de ontnemingsmaatregel en de latere afwijzingen van de verzoeken tot vermindering hiervan, de door [eiser] voorgestelde afbetalingsregeling overeen te komen. De voorzieningenrechter licht haar oordeel hieronder nader toe.
3. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Het Gerechtshof Amsterdam (hierna ‘het hof’) heeft [eiser] bij arrest van 26 februari 2019 (hierna ‘het ontnemingsarrest’) de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.521.909 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna ‘de ontnemingsmaatregel’). Deze beslissing is gevolgd op een arrest van 13 mei 2015 van het hof, waarbij [eiser] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar voor (samengevat) deelname aan een criminele organisatie, overtreding van de Opiumwet, witwassen en overtreding van de Wet wapens en munitie. De ontnemingsmaategel is op 26 augustus 2020 onherroepelijk geworden.
Het hof heeft in het ontnemingsarrest vastgesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [eiser] in ieder geval bestaat uit:
een contante uitgave van € 923.760,53 ten behoeve van een investering in Suriname;
een contante uitgave van € 169,564,59 ten behoeve van de aankoop van een appartement in Thailand;
contante uitgaven in Litouwen, bestaande uit een contante uitgave van € 102.318,09 ten behoeve van een nieuwbouwwoning in Litouwen, een contante uitgave van € 200.000 ten behoeve van de aankoop van een perceel grond in Rusland, een contante uitgave van € 200.000 ten behoeve van de aankoop van een perceel grond in Litouwen en een contante uitgave voor een BMW X6 van € 69.900;
contante uitgaven voor huis en inrichting van € 39.225,35;
contante uitgaven voor levensonderhoud van € 31.872,70;
contante uitgaven voor reizen van € 116.496,97;
een contante uitgave van € 300.000 ten behoeve van een investering in een handelsvoorraad auto’s;
contante uitgaven voor het privégebruik van auto’s van € 11.516,71;
contante uitgaven van € 268.648,65 ten behoeve van een investering in boten;
contante uitgaven ten behoeve van strandstoelenverhuur van € 24.344,69;
een vordering van € 40.000;
contante uitgaven voor verbouwingen van € 3.043,91;
diverse contante uitgaven van € 50.343,82 en
contante stortingen op bankrekeningen van € 176.988,13.
Met betrekking tot de draagkracht van [eiser] heeft het hof overwogen dat vooralsnog niet aanstonds duidelijk is geworden dat [eiser] nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Op 18 november 2020 heeft het CJIB [eiser] aangeschreven in het kader van de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. De hierna gevolgde correspondentie tussen [eiser] en het CJIB heeft niet tot een betalingsregeling geleid. Het CJIB heeft zich in die correspondentie (samengevat) op het standpunt gesteld dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht, omdat het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft op investeringen, waar naar verwachting baten tegenover hebben gestaan.
Omdat [eiser] niet volledig voldeed aan zijn betalingsverplichting, heeft het Openbaar Ministerie op enig moment een machtiging toepassing gijzeling na opgelegde ontnemingsmaategel gevorderd. Het Openbaar Ministerie heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk is dat [eiser] niet meer beschikt over het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op een getroffen schikking in andere strafzaken, dat aannemelijk is dat [eiser] over vermogen in Thailand beschikt, dat op basis van informatie van het Team Criminele Inlichtingen van december 2021 aannemelijk is dat [eiser] eigenaar is van een woning in Spanje en dat [eiser] zich mogelijk in Spanje heeft gevestigd.
De rechtbank Noord-Holland heeft het Openbaar Ministerie bij vonnis van 11 oktober 2023 gemachtigd tot toepassing van gijzeling van [eiser] voor de duur van 720 dagen, waarbij de rechtbank oordeelde dat niet is gebleken van betalingsonmacht aan de zijde van [eiser] . In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank Noord-Holland het verzoek van [eiser] tot vermindering van de ontnemingsmaatregel afgewezen.
In de periode tussen juni 2021 en maart 2025 heeft [eiser] aanvankelijk bedragen van € 50 per maand en later van € 100 per maand aan het CJIB betaald.
In een e-mailbericht van 26 oktober 2023 heeft het CJIB [eiser] in de gelegenheid gesteld om een passend betalingsvoorstel te doen, waarbij is aangekondigd dat een last tot aanhouding ter zake van de 720 dagen gijzeling zal worden uitgevaardigd als een passend voorstel uitblijft. Vervolgens heeft [eiser] op 27 november 2023 een betalingsvoorstel gedaan, dat op 28 november 2023 door het CJIB als niet passend is afgewezen, waarbij [eiser] te kennen is gegeven dat een last tot aanhouding zal worden uitgevaardigd.
[eiser] is in februari 2025 in Spanje in gijzeling genomen en hij is vervolgens overgebracht naar Nederland.
Op 29 maart 2025 heeft [eiser] opnieuw om kwijtschelding, althans vermindering van de ontnemingsmaatregel verzocht. Dit verzoek is door de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 14 juli 2025 afgewezen, samengevat omdat [eiser] niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat hij betalingsonmachtig is. In het vonnis is overwogen dat met betrekking tot de ontnemingsmaatregel volgens informatie van het CJIB op 7 maart 2025 nog een bedrag van € 2.258.666,50 open stond.
In een e-mailbericht van 9 september 2025 heeft [eiser] een voorstel voor een betalingsregeling van € 100 per maand aan het CJIB gedaan, waarbij hij een Spaanse huurovereenkomst, een koopovereenkomst met betrekking tot een onroerende zaak in Thailand en aanslagen en aangiften inkomstenbelasting heeft overgelegd. Het CJIB heeft dit voorstel afgewezen, omdat [eiser] onvoldoende nieuwe argumenten had aangevoerd en het betalingsvoorstel niet passend was.
Het CJIB heeft [eiser] herhaaldelijk verzocht om openheid van zaken te geven met betrekking tot zijn inkomsten en vermogen, onder meer met betrekking tot de aandelen die [eiser] heeft gehad in [bedrijf] B.V., waarna [eiser] een schriftelijke toelichting, met stukken, aan het CJIB heeft gestuurd. Het CJIB heeft de door [eiser] gegeven toelichting niet toereikend geacht.
4. Het geschil
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – primair de Staat te gebieden de tenuitvoerlegging van de gijzeling van [eiser] op te heffen, dan wel te staken, en [eiser] in vrijheid te stellen en subsidiair de Staat te gebieden om alsnog akkoord te gaan met de door [eiser] aangeboden betalingsregeling van € 100 per maand en de Staat te veroordelen om de gijzeling van [eiser] te schorsen zolang [eiser] de betalingsregeling nakomt, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Sinds 1 juni 2021 heeft [eiser] alles wat hij maandelijks kon missen aan het CJIB voldaan. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Gelet op zijn leeftijd van zeventig jaar en zijn verslechterende gezondheid zal [eiser] ook in de toekomst niet over voldoende financiële draagkracht beschikken om aan zijn betalingsverplichting met betrekking tot de ontnemingsmaatregel te voldoen. [eiser] beschikt niet over vermogen in Nederland en hij heeft alleen een eenvoudig huurappartement in Spanje gehad, waar hij leefde van een AOW-uitkering, die inmiddels door zijn gijzeling is beëindigd. Ook de huurovereenkomst in Spanje is bij gebrek aan financiële middelen opgezegd. [eiser] betwist verder de juistheid van het wederrechtelijk verkregen voordeel waar het hof in het ontnemingsarrest van is uitgegaan. Volgens [eiser] moet het de Staat daarom worden verboden om de gijzeling verder ten uitvoer te leggen, moet [eiser] in vrijheid worden gesteld en moet de Staat (het CJIB) akkoord gaan met de door [eiser] aangeboden betalingsregeling.
De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.
5. De beoordeling van het geschil
Bij de beoordeling van de vordering tot het opheffen, dan wel staken van de toegepaste gijzeling stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Indien een veroordeelde niet aan de hem opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en (volledig) verhaal op diens vermogen niet mogelijk is gebleken, kan de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie een machtiging verlenen tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling. Doel van gijzeling is het afdwingen van betaling, waarbij geldt dat de betalingsverplichting door de gijzeling niet komt te vervallen.
Het Openbaar Ministerie heeft op enig moment een machtiging toepassing gijzeling jegens [eiser] gevorderd en verkregen. Tegen deze beslissing van de strafrechter staat geen hogere voorziening open. In dit kort geding moet daarom in beginsel van de rechtmatigheid van de machtiging en van de gijzeling die nu als gevolg daarvan plaatsvindt, worden uitgegaan.
Op grond van artikel 6:6:25 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) de gijzeling te allen tijde beëindigen. Daartoe kan bijvoorbeeld aanleiding zijn als alsnog een bevredigende betalingsregeling is getroffen of wanneer tijdens de gijzeling blijkt dat de veroordeelde echt niet in staat is om de ontnemingsmaatregel te betalen. Daarbij gelden de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (de Regeling) en de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (de Beleidsregels) als uitgangspunt. In artikel 4:25 van de Beleidsregels zijn de weigeringsgronden voor een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling neergelegd. In het eerste lid van dat artikel in de aanhef en onder a is bepaald dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling in ieder geval wordt afgewezen als de betalingsplichtige naar het oordeel van het CJIB onvoldoende medewerking verleent aan het verstrekken van gegevens met betrekking tot zijn inkomen of vermogen ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of betalingscapaciteit.
Tussen partijen is (samengevat) in geschil of [eiser] voldoende medewerking heeft verleend aan het verstrekken van gegevens en voldoende heeft onderbouwd dat hij niet in staat is om de aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel te voldoen en in verband daarmee of het CJIB de door [eiser] voorgestelde betalingsregeling in redelijkheid heeft kunnen weigeren. In het navolgende zullen een aantal van de in het ontnemingsarrest genoemde onderdelen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de ter zitting besproken overige vermogensbestanddelen voor zover relevant puntsgewijs worden besproken, waarbij zal worden uitgegaan van de standpunten van partijen zoals die zijn verwoord in de brief van mr. S. Schuurman van 19 januari 2026, ondersteund met bijlagen en productie 23 (zie hiervoor in 1.5.) en de schriftelijke reactie van de Staat van 9 februari 2026 (zie hiervoor in 1.4.), een en ander zoals nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling op 11 februari 2026.
Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd ligt het op de weg van [eiser] om aan te tonen dat sprake is van betalingsonmacht en moet voor wat betreft de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van het ontnemingsarrest. Dit betekent, in aanmerking genomen het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dat het oordeel van het hof in dit kort geding niet ter discussie staat. [eiser] heeft de mogelijkheid om bij de strafrechter een verzoek tot vermindering of kwijtschelding van de ontnemingsmaatregel te verzoeken. Hij heeft een dergelijk verzoek ook al twee maal gedaan, zij het tevergeefs.
Suriname
[eiser] heeft gesteld dat hij weliswaar het voornemen heeft gehad om een investering te doen in aandelen in een bedrijf in Suriname, maar dat deze investering niet verder is gekomen dan de oriënterende fase. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] verwezen naar een e-mailbericht van [naam] , die volgens [eiser] betrokken is geweest bij het betreffende project in Suriname en die in dat e-mailbericht heeft bevestigd dat de transactie geen doorgang heeft gevonden en dat [eiser] geen aandelen in eigendom heeft (gehad) die voor [eiser] rendement opleveren. Verder heeft [eiser] toegelicht dat tijdens zijn detentie een bedrag van ongeveer € 500.000 uit Suriname is teruggekomen, dat door Justitie in beslag is genomen en dat later is overgedragen aan de Staat in het kader van een minnelijke regeling in een andere strafzaak.
De Staat heeft hiertegen terecht aangevoerd dat, nog daargelaten dat de inhoud van het ontnemingsarrest in deze kortgedingprocedure niet ter discussie staat, [eiser] met zijn verklaring dat een bedrag van ongeveer € 500.000 uit Suriname is teruggekomen geen concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de rest van het door het hof in het ontnemingsarrest op dit punt vastgestelde bedrag van € 923.760,53 dat [eiser] in Suriname heeft geïnvesteerd. De enkele verklaring van [naam] , waar [eiser] in dit verband naar verwijst, is daarvoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende.
Thailand
Met betrekking tot het appartement in Thailand heeft [eiser] gesteld dat uit de overgelegde documenten niet blijkt dat de eigendom van het appartement aan hem is overgedragen. Daarbij heeft [eiser] onder meer betoogd dat de afspraken in de koopovereenkomst nooit zijn nagekomen, omdat [eiser] in detentie zat, en dat hij de voor dit appartement in de koopovereenkomst opgenomen koopsom ook nooit heeft betaald.
De Staat heeft betoogd dat uit de door [eiser] overgelegde documenten niet kan worden afgeleid dat [eiser] geen eigenaar is (geweest) van een appartement in Thailand. Daarbij heeft de Staat erop gewezen dat [eiser] ter onderbouwing van zijn standpunt een koopovereenkomst heeft overgelegd met betrekking tot “ [appartement 1] .”, terwijl het opschrift van het door [eiser] overgelegde document met betrekking tot de eigendom van het appartement “ [appartement 2] ” luidt. De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn verweer dat [eiser] geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het verschil tussen de unit-nummers op deze documenten. Daar komt bij dat in de door [eiser] overgelegde koopovereenkomst met betrekking tot de koopsom is vermeld “The Seller has received the full amount :”, wat niet te rijmen valt met de stelling van [eiser] dat hij de koopsom niet heeft betaald. Ook hiervoor heeft [eiser] geen afdoende verklaring gegeven. Een en ander betekent dat [eiser] zijn stellingen op dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de Staat in redelijkheid ervan mag uitgaan dat [eiser] het betreffende appartement in eigendom heeft (gehad) of althans een onvoldoende verklaring heeft gegeven voor wat betreft het appartement in Thailand.
Aandelen [bedrijf] B.V.
Over de aandelen [bedrijf] B.V. is vanaf september 2025 meerdere malen gecorrespondeerd tussen het CJIB en (de advocaten van) [eiser] . [eiser] heeft in de brief van 19 januari 2026 uiteengezet dat uit de aangiften Omzetbelasting 2022 van [bedrijf] B.V. blijkt dat de omzet van de onderneming € 1.128.327 bedroeg en dat het verschil tussen een eerder overgelegde jaarrekening en de gedeponeerde jaarrekening kan worden afgeleid uit de commerciële en fiscale balans. Dit naar aanleiding van een discussie op dit punt tijdens de mondelinge behandeling. In een als productie 23 overgelegde brief op briefpapier van [bedrijf] B.V. is een korte toelichting gegeven op de gang van zaken bij [bedrijf] B.V.
Volgens de Staat heeft [eiser] met het voorgaande echter nog altijd geen gespecificeerde onderbouwing gegeven van de waardering van de aandelen in [bedrijf] B.V. en heeft hij niet toegelicht waarom hij in het kader van de aandelenoverdracht bij een omzet van meer dan € 1.000.000 een bedrag van slechts € 9.000 heeft ontvangen voor zijn 22% van de aandelen. Daar komt nog bij dat uit de overgelegde aangiften en aanslagen inkomstenbelasting en uit de overgelegde rekeningafschriften niet is gebleken dat [eiser] in december 2023 een bedrag van € 9.000 heeft ontvangen, aldus de Staat. [eiser] heeft weliswaar verwezen naar de verklaring van de administrateur, die de waarde voor de aandelen heeft berekend en daarbij de intrinsieke waarde per 31 december 2022 en in het verleden behaalde winsten tot uitgangspunt genomen, maar [eiser] heeft daarbij niet toegelicht waarom deze uitgangspunten bij de waardering zijn gebruikt, noch waarom deze berekening voor [eiser] bindend is. Dit had, tegen de achtergrond van de ontnemingsmaatregel, wel op zijn weg gelegen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] tegenover dit gemotiveerde standpunt van de Staat onvoldoende concreet inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie met betrekking tot dit onderdeel.
Appartement Spanje
[eiser] heeft gesteld dat hij op 23 november 2023 al informatie aan de Staat heeft verstrekt waaruit blijkt dat de huurprijs van het appartement in Spanje € 700 per maand bedraagt en dat hij niet over actuelere informatie beschikt.
De Staat heeft hiertegenover echter aangevoerd dat [eiser] met dit standpunt geen afdoende uitleg heeft gegeven met betrekking tot het verschil met zijn eerdere verklaring in augustus 2022 dat hij een huurprijs van € 600 per maand verschuldigd is en met name dat hij dat bedrag deelt met een huisgenoot. Het huurbedrag is opgenomen in een huurovereenkomst, maar het is niet duidelijk geworden waarom [eiser] geen huisgenoot meer heeft. In het licht van alle overige omstandigheden is ook op dit punt het standpunt van de Staat dat [eiser] zijn financiële situatie onvoldoende heeft onderbouwd naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk.
Boten
Volgens de ontnemingsmaatregel heeft [eiser] geïnvesteerd in boten voor een totaal bedrag van € 268.648,65, waarvan het grootste deel contante uitgaven betreft. In de brief van 19 januari 2026 heeft [eiser] uitgelegd dat hij giraal bedragen heeft geïnvesteerd in twee boten van € 129.584,18 en € 196.875,00, totaal € 326.459,18 en dat hij geen contante betalingen voor boten heeft gedaan en dat dit ook niet is gebleken. Volgens [eiser] klopt de ontnemingsmaatregel op dit punt niet. De voorzieningenrechter heeft onder 5.5 al toegelicht dat zij moet uitgaan van de juistheid van de ontnemingsmaatregel. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de contante investering in boten tot uitgangspunt moet nemen bij de beoordeling of [eiser] thans betalingsonmachtig is. Bij dit oordeel weegt de voorzieningenrechter op het punt van de boten mee dat [eiser] zelf heeft geschreven dat hij giraal in twee boten heeft geïnvesteerd. Hij heeft vervolgens toegelicht dat hij sinds zijn detentie, buiten zijn toedoen, niet meer over deze boten beschikt: “er is niets meer overgebleven van de twee boten van cliënt”. De ene boot zou een accuprobleem hebben gehad dat van kwaad tot erger leidde, waarbij de verzekering de schade niet wilde dekken omdat degene die aansprakelijk was voor de schade bij dezelfde verzekeringsmaatschappij verzekerd was. Dit alles heeft [eiser] veel geld gekost en “(u)iteindelijk heeft de aankoop vermeerderd met de schadepost niet eens de uiteindelijke verkoopwaarde opgeleverd, zo schrijft de advocaat van [eiser] in de brief van 19 januari 2026. [eiser] beschikt niet over documenten die dit relaas onderbouwen. De tweede boot zou tijdens zijn detentie zijn verkocht, maar hij heeft de verkoopopbrengst nooit gekregen. De voorzieningenrechter concludeert dat de stellingen van [eiser] met betrekking tot de boten vaag zijn en dat hij deze niet nader heeft toegelicht, waardoor ook op dit punt [eiser] onvoldoende concreet inzage heeft gegeven.
Slotsom en proceskosten
Het voorgaande betekent dat de Staat voldoende heeft onderbouwd dat [eiser] met betrekking tot de hiervoor besproken vermogensbestanddelen nog altijd onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn financiële situatie en dat [eiser] de door hem gestelde betalingsonmacht alleen al daarom onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De stellingen van [eiser] met betrekking tot de overige vermogensbestanddelen die in het ontnemingsarrest zijn vastgesteld of die ter zitting aan de orde zijn gekomen leiden niet tot een ander oordeel en behoeven in dit vonnis dan ook geen verdere bespreking.
Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat het CJIB het betalingsvoorstel van [eiser] in redelijkheid als niet passend heeft kunnen afwijzen en dat voor het opheffen, dan wel het staken van de gijzeling van [eiser] geen grond bestaat. Het gevorderde wordt daarom afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
€
714
- salaris advocaat
€
1.177
- nakosten
€ 189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€
2.080
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde van de Staat zijn begroot op € 2.080, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
mvt