uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , opposant
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2025 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van opposant kennis te nemen.
Opposant heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord.
De rechtbank heeft het verzet op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van opposant deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank overweegt ten overvloede dat zelfs als de informatiebrief van 16 juli
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 5 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 5 september 2025
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen omdat het niet gericht is tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
"3. Eiser heeft de Zimbabwaanse nationaliteit en valt onder de categorie derdelanders uit Oekraïne, die aanvankelijk recht hadden op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Die facultatieve bescherming is door verweerder per 4 maart 2024 beëindigd. Op 16 juli 2025 heeft verweerder aan eiser een brief gestuurd waarin is aangegeven dat de bevriezingsmaatregel die gold na de beëindiging van de tijdelijke bescherming van de derdelanders eindigt per 4 september 2025. Eiser moet Nederland binnen 4 weken verlaten. Gedurende die periode heeft hij recht op opvang maar mag hij niet werken.
Is het beroep gericht tegen een appellabel besluit?
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 16 juli 2025 een informatiebrief en geen besluit. De facultatieve tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders is per 4 maart 2024 geëindigd. De brief informeert over de gevolgen van het einde van de bevriezing per 4 september 2025 en de rechtsgevolgen van de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming. Hiermee zijn geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. Die zijn immers het gevolg van de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming zelf en van het terugkeerbesluit dat aan eiser is uitgevaardigd. Het terugkeerbesluit is met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 april 2024 in rechte vast komen te staan en daarmee onherroepelijk geworden. Het verzoek om opheffing van dit terugkeerbesluit is in de uitspraak van 25 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard.3 De brief van 16 juli 2025 is derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb beroep kon worden ingesteld. De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
2025 zou moeten worden beschouwd als een terugkeerbesluit, zoals eiser dat kennelijk
meent, het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard omdat het te laat is ingediend.
Eiser heeft namelijk pas op 31 augustus 2025 een beroepschrift ingediend. Dat er in de
informatiebrief geen rechtsmiddelenclausule, en dus geen termijn, is opgenomen, is geen
verschoonbare reden. Immers, voor zaken die vallen onder de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
blijkt uit artikel 69, eerste lid, van de Vw dat voor het indienen van beroepschrift een
termijn van vier werken geldt. Zelfs als wordt uitgegaan van de langste wettelijke termijn
binnen het bestuursrecht, namelijk zes weken volgens artikel 6:7 van de Awb, is de termijn
voor het indienen van een beroepschrift overschreden. Eiser heeft geen reden gegeven voor
deze termijnoverschrijding.”
Het procesbelang
5. Ter zitting heeft de gemachtigde van opposant aangegeven dat opposant inmiddels in september 2025 is teruggekeerd naar Zimbabwe. Opposant heeft desgevraagd toegelicht dat hij vindt dat nog steeds sprake is van procesbelang bij het voeren van deze procedure omdat, indien het verzet gegrond wordt verklaard en hij alsnog onder de Regeling Tijdelijke Bescherming valt, hij de geleden schade, bijvoorbeeld omdat hij niet mocht werken en geen recht op opvang had, dan kan verhalen. De rechtbank ziet hierin een procesbelang.
Gronden van het verzet
6. Opposant voert aan dat de brief van 16 juli 2025 wel een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat het concrete rechtsgevolgen bevat, namelijk het beëindigen van het recht op opvang per 4 september 2025, het intrekken van de mogelijkheid om te werken in Nederland en het opleggen van een vertrekplicht. In de brief van 16 juli 2025 wordt aan opposant pas voor het eerst kenbaar gemaakt dat hij vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om uit Nederland te vertrekken.
Hoewel het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in rechte vaststaat, heeft deze zijn uitwerking verloren dan wel moet dit besluit als ingetrokken worden beschouwd. Er is met de bevriezingsmaatregel immers geen sprake van rechtmatige opschorting van het terugkeerbesluit, omdat dit alleen kan op gronden die in de Terugkeerrichtlijn zijn genoemd. Er is ook expliciet aangegeven dat opposant in Nederland mocht blijven, recht heeft op onderdak en recht om te werken. Nu voor het opschorten van het terugkeerbesluit dus geen wettelijke grondslag was, had verweerder dus eigenlijk maar één optie en dat was het intrekken van het terugkeerbesluit. Dit betekent dat opposant dus feitelijk rechtmatig verblijf had. Dit maakt dat de informatiebrief voor het eerst een terugkeerbesluit bevat en dus een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is.
Verder voert opposant aan dat de rechtbank de zaak op zitting had moeten behandelen. De rechtbank had de zaak niet met artikel 8:54 van de Awb mogen afdoen, gelet op de aard en de complexiteit van de aangevoerde unierechtelijke gronden en de persoonlijke belangen van opposant, namelijk recht op werk en bestaanszekerheid. De rechtbank heeft daarmee de toegang tot inhoudelijke beoordeling en daarmee het recht op effectieve rechtsbescherming onthouden en dat is volgens opposant in strijd met artikel 47 van het EU-Handvest en artikel 13 van het EVRM.
Opposant verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, waarin een ordemaatregel was genomen.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het betoog dat opposant rechtmatig verblijf heeft gehad vanwege de door verweerder getroffen bevriezingsmaatregel slaagt niet. De facultatieve tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders is per 4 maart 2024 geëindigd, zodat opposant vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Dat het hem door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te verblijven, maakt niet dat sprake was van een rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez. Uit dit arrest volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. Van die situatie is hier geen sprake. Met de bevriezingsmaatregel is niet de tijdelijke bescherming verlengd, maar enkel bepaald dat opposant nog tijdelijk gebruik mocht maken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had in afwachting van definitieve besluitvorming. Dit (procedureel) rechtmatige verblijf is van een andere orde dan het rechtmatig verblijf onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en staat dan ook niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 oktober 2025. De stelling van opposant dat het terugkeerbesluit op oneigenlijke gronden zou zijn opgeschort, doet aan de werking van het terugkeerbesluit en het onrechtmatige verblijf van opposant niet af.
De rechtbank volgt opposant gelet op het bovenstaande ook niet in zijn stelling dat het terugkeerbesluit als ingetrokken dient te worden beschouwd. Voorts staat, zoals de rechtbank in de uitspraak van 5 september 2025 reeds heeft geoordeeld, het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in rechte vast en is dat besluit onherroepelijk geworden. Het verzoek om opheffing van dit terugkeerbesluit is in de uitspraak van 25 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Het voorgaande betekent dat de redenering van opposant dat de brief van 16 juli 2025 heeft te gelden als terugkeerbesluit, daarom concrete rechtsgevolgen bevat en wel een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, niet gevolgd kan worden. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de brief algemeen van aard is. De brief gaat alleen over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel en beschrijft twee mogelijkheden die op een vreemdeling van toepassing kunnen zijn, namelijk de situatie dat een derdelander op 4 september 2025 een verblijfsvergunning of openstaande aanvraag voor een andere verblijfsvergunning heeft en de situatie waarin dat niet het geval is. De brief maakt niet duidelijk welke van deze twee situaties op opposant van toepassing is.
Verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding
7. Opposant voert aan dat de overweging in de uitspraak van de rechtbank van 5 september 2025 dat het beroep te laat is ingesteld, onvoldoende is gemotiveerd omdat een belangenafweging ontbreekt. Opposant had een (nieuw) terugkeerbesluit verwacht, net zoals veel mensen om zich heen hebben gekregen. Daarom heeft opposant beroep ingesteld tegen de informatiebrief. Het aanhaken bij andere termijnen voor beroep in de Vreemdelingenwet of het bestuursrecht is onevenredig en ongerijmd. In de brief staat geen termijn.
De rechtbank is, naast haar oordeel in rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.3, van oordeel dat de termijnoverschrijding door opposant niet verschoonbaar is. Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de gemachtigde van opposant, een professionele rechtshulpverlener, wist dat hij binnen vier dan wel zes weken beroep moest instellen. Dit geldt te meer nu de gemachtigde van opposant zelf heeft aangevoerd dat hij de brief van 16 juli 2025 ziet als een terugkeerbesluit omdat daarin opposant voor het eerst wordt gezegd dat hij binnen vier weken Nederland moet verlaten. Het had op de weg van de gemachtigde gelegen om eventuele rechten veilig te stellen en tijdig beroep in te stellen. De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2024 en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024. De verzetsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: