ECLI:NL:RBDHA:2026:3848

ECLI:NL:RBDHA:2026:3848

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer NL26.6636
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring eerste beroep, artikel 59-1-a Vw. De gronden zijn terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd, geen aanleiding voor een lichter middel. Voldoende voortvarend gehandeld, zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt niet. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. S. Oukil),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 5 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft verklaard niet gehoord te willen worden. Zijn gemachtigde is met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.

4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

6. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. Op 12 augustus 2025 is de asielaanvraag van eiser afgewezen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 15 augustus 2025 is daarnaast een terugkeerbesluit opgelegd. De bewaring is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

7. Eiser heeft alleen de gronden 3a, 3d en 4c betwist. De rechtbank is van oordeel dat alle in de maatregel genoemde gronden terecht aan de bewaring ten grondslag zijn gelegd en er voldoende grond bestaat voor het oordeel van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat.

Eiser heeft immers verklaard zonder documenten naar Nederland te zijn gereisd (3a). Dat eiser Nederland is binnengekomen als asielzoeker, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Niet is betwist dat eiser zich niet heeft gemeld bij de Korpschef zoals bedoeld in artikel 4.39 van het Vb (3b). Ook niet betwist is dat eiser geen gehoor heeft gegeven aan de op hem rustende vertrekplicht (3c). Feitelijk juist is ook dat eiser niet beschikt over identiteitsdocumenten en zich onvoldoende heeft ingespannen om hier aan te komen. Daarnaast heeft hij meerdere aliassen gebruikt (3d). De enkele opmerking van eiser in het gehoor dat hij zijn moeder in Algerije heeft gevraagd naar een familieboekje, is onvoldoende om deze grond niet tegen te kunnen werpen. Ook allen feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn de lichte gronden 4a, 4c en 4d. Het verblijf bij een organisatie is onvoldoende om te kunnen spreken van een vaste woon- en verblijfplaats.

Lichter middel

8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Dat eiser bereid is mee te werken aan zijn uitzetting, volgt de rechtbank niet. Eiser verklaart juist meermaals niet terug te willen keren naar Algerije. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.

Eiser heeft geen medische omstandigheden kenbaar gemaakt. Door de minister is eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser geen andere persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.

Voortvarendheid

9. De minister heeft het Openbaar Ministerie op 6 februari 2026 verzocht om eventuele bezwaren tegen de uitzetting van eiser kenbaar te maken. Verder is op 10 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De minister heeft daarnaast op de zitting toegelicht dat er op 10 september 2025 een lp-aanvraag is verzonden. Daar wordt iedere drie weken schriftelijk op gerappelleerd, voor het laatst op 9 februari 2026. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

10. De rechtbank neemt aan dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen, maar ook specifiek voor eiser niet ontbreekt. Er is geen aanleiding voor het vermoeden dat de Algerijnse autoriteiten geen lp aan eiser zullen verstrekken. Daar komt bij dat eiser geen medewerking verleent aan zijn uitzetting. Het zicht op uitzetting is ook daarom in beginsel gegeven. De enkele opmerking van eiser dat uit het dossier niet blijkt welke vertrekhandelingen zijn verricht, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals aangegeven onder overweging 9, heeft de minister de uitzettingshandelingen op de zitting toegelicht.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.J. van der Veen

Griffier

  • mr. H.A. van der Wal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?