[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. De minister heeft op 7 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daar is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. Eiser stelt dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van ophouding van 7 februari 2026 blijkt dat eiser is overgenomen en opgehouden op grond van artikel 50a, eerste lid van de Vw. Dit artikel maakt het mogelijk een vreemdeling op te houden die rechtmatig verblijf heeft zoals bedoeld in artikel 8, onder f tot en met h en m van de Vw en in voorbereiding op een bewaring op grond van (onder meer) artikel 59a van de Vw. Eiser voert aan dat dit niet juist is. Zoals ook is aangegeven in de maatregel, is eiser namelijk op 5 november 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Daarmee is zijn rechtmatig verblijf geëindigd. Eiser valt dus niet onder de categorie vreemdelingen zoals omschreven in artikel 50a, eerste lid van de Vw.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is op zichzelf juist dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder m van de Vw van rechtswege eindigt, wanneer een zogenoemde Dublinclaimant zoals eiser met onbekende bestemming vertrekt. Dit volgt uit artikel 62c, vierde lid, van de Vw. Het rechtmatig verblijf van eiser op grond van 8, onder m van de Vw eindigde dus op 5 november 2025, nadat hij met onbekende bestemming was vertrokken. Maar het rechtmatig verblijf van eiser op grond van dit artikel herleefde niet op het moment dat hij zich op 11 december 2025 weer meldde voor opvang. Eiser heeft vervolgens op 30 december 2025 beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit van dezelfde datum en binnen 24 uur verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft op de zitting terecht opgemerkt, dat eiser hierdoor opnieuw rechtmatig verblijf heeft verkregen op grond van artikel 8, onder h van de Vw. Het niet herleven van eenmaal van rechtswege beëindigd rechtmatig verblijf ziet namelijk alleen op rechtmatig verblijf krachtens artikel 8, onder m van de Vw. Artikel 62c, vierde lid, van de Vw staat er dus niet aan in de weg, dat eiser per 30 december 2025 rechtmatig verblijf heeft verkregen op grond van artikel 8, onder h, van de Vw. De ophouding heeft dus terecht op grond van artikel 50a, eerste lid van de Vw plaatsgevonden. Eiser is immers opgehouden ter voorbereiding op een bewaring op grond van artikel 59a van de Vw en heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder h van de Vw.
4. Eiser stelt daarnaast dat er twee onjuistheden in het proces-verbaal van gehoor van
7 februari 2026 staan. Ten eerste staat op pagina 2 dat eiser is staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vw. Dit komt niet overeen met wat er in het proces-verbaal van ophouding is aangegeven, namelijk dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50a van de Vw. Op dezelfde pagina staat vervolgens, dat de bewaring inhoudt dat eiser voorafgaand aan een voorgenomen onvrijwillige terugkeer naar zijn land van herkomst zal verblijven in een speciaal daartoe ingericht cellencomplex. Eiser is een Dublinclaimant dus dit is onjuist. Eiser benadrukt verder het belang van een deugdelijk gehoor voorafgaand aan een inbewaringstelling. Deze onjuistheden vormen, naast de onjuiste grondslag van de ophouding, een tweede gebrek in het voortraject. Daarmee is volgens eiser sprake van een stapeling van gebreken in het voortraject. De daaropvolgende belangenafweging dient daarom in het voordeel van eiser uit te vallen.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De door eiser genoemde onjuistheden staan vermeld in een standaardtekst onder het kopje ‘algemeen’ in het proces-verbaal van ophouding. Wat daar verder ook van zij, het moet eiser volgens de rechtbank duidelijk zijn geweest dat de bewaring ziet op het realiseren van een Dublinoverdracht. Zo wordt er meermaals gesproken over het overdrachtsbesluit van 30 december 2025 en een overdracht aan Zwitserland. Eiser geeft aan op de hoogte te zijn van het overdrachtsbesluit en te weten dat hij als gevolg daarvan zal worden overgedragen aan Zwitserland. Uit het gehoor blijkt nergens dat het eiser niet duidelijk was met welk doel hij in bewaring werd gesteld. Daarnaast is door de minister op de zitting terecht opgemerkt dat er juist vanuit zorgvuldigheid ook vragen zijn gesteld over de houding van eiser ten opzichte van een eventuele terugkeer naar het land van herkomst. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet in enig belang is geschaad en van een gebrek geen sprake is.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 13 november 2025 heeft Zwitserland akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek.
Gronden
6. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank is ambtshalve toetsend van oordeel dat lichte grond 4e ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd. De strafbare feiten zien immers niet op het toezicht op vreemdelingen. De overige gronden kunnen de maatregel dragen en zijn voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De minister mag eiser zwaar aanrekenen dat hij al eerder in het kader van een Dublinprocedure is overgedragen en verklaarde al 10 jaar in Europa te verblijven. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
Eiser heeft geen medische omstandigheden kenbaar gemaakt. Door de minister is eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser geen persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Zo heeft de minister op 9 februari 2026 het Openbaar Ministerie verzocht kenbaar te maken of er bezwaren bestaan tegen de overdracht van eiser. Dat dit niet had gemogen omdat eiser nog een strafdetentie heeft openstaan, volgt de rechtbank niet. Dat is immers waar het verzoek om toestemming op ziet. Daarnaast heeft de minister op 11 en 15 februari 2026 de rechtbank verzocht de voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het overdrachtsbesluit naar voren te halen, zodat de bewaring zo kort mogelijk duurt. Ook heeft de minister op 17 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Tot slot heeft de minister op de zitting kenbaar gemaakt op 19 februari 2026 een vlucht voor eiser te hebben geboekt met vertrek op 16 maart 2026.
Zicht op overdracht
9. Ten aanzien van het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn overweegt de rechtbank, met in achtneming van hetgeen partijen ter zitting hebben gesteld als volgt. Uit de derde alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening volgt dat de maximale bewaringstermijn van zes weken alleen ziet op de situatie, waarin de vreemdeling eerst in bewaring is gesteld en vervolgens een claimakkoord tot stand is gekomen, dan wel de opschortende werking van een beroep is geëindigd. Dit wordt bevestigd in het arrest Amayry. In dit arrest oordeelt het Hof dat de maximumtermijn van zes weken waarbinnen een in bewaring gestelde vreemdeling moet worden overgedragen, alleen geldt wanneer de vreemdeling is bewaring is gesteld voordat een claimakkoord tot stand is gekomen of het beroep geen opschortende werking meer heeft. In andere situaties wordt de maximale duur bepaald door de eerste alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening. Er geldt dan geen maximumtermijn, maar de bewaring moet zo kort mogelijk duren en niet langer dan redelijkerwijs nodig is. In beginsel zou ook in dat geval een termijn van zes weken genoeg moeten zijn en daarom mag zij niet ruimschoots langer duren dan zes weken. Het Hof oordeelt dat een bewaringsduur van twee maanden, gelet op de beoordelingsmarge van de lidstaten, niet als noodzakelijkerwijs buitensporig kan worden beschouwd. Een duur van drie maanden of meer overschrijdt daarentegen wel ruimschoots de redelijkerwijs noodzakelijke termijn om de voor de overdracht nodige administratieve procedures zorgvuldig uit te voeren.
Van een situatie zoals omschreven in de derde alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening is in dit geval geen sprake. Er moet dus worden beoordeeld of de duur van de bewaring zo kort mogelijk is en niet langer dan redelijkerwijs nodig. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij een vlucht voor eiser heeft geboekt met vertrek op 19 maart 2026. Daarmee zou de duur van de bewaring de termijn van zes weken en ook die van twee maanden, niet overschrijden. Hoewel de geplande vlucht een onzekere toekomstige gebeurtenis is, bestaat er gezien het vooruitzicht hierop op dit moment geen aanleiding voor het vermoeden dat de bewaring te lang zal gaan duren. Zicht op overdracht binnen een redelijke termijn is dan ook aanwezig.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.