ECLI:NL:RBDHA:2026:3854

ECLI:NL:RBDHA:2026:3854

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer NL26.9537
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verlengingsbesluit – kennisgeving – belangenafweging – meer dan zes maanden bewaring – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.9537

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Bij besluit van 23 januari 2026 (het verlengingsbesluit) heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.

Verweerder heeft de rechtbank op 20 februari 2026 in kennis gesteld van het verlengingsbesluit door middel van een kennisgeving. Daarmee wordt eiser geacht tegen het verlengingsbesluit beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 26 februari 2026 gesloten.

Overwegingen

Conclusie

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1981 en de Ghanese nationaliteit te hebben.

2. Op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Vw duurt de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw kan de bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documenten uit derde landen nog ontbreken.

Uitreikingsblad

3. Eiser voert aan dat onduidelijk is of het verlengingsbesluit op juiste wijze aan hem is uitgereikt, omdat het uitreikingsblad niet door eiser is ondertekend. Daarnaast bevat het uitreikingsblad weliswaar een naam, maar is niet duidelijk welke functie de ondertekenaar heeft en is de handtekening onleesbaar.

4. De beroepsgrond slaagt niet. Op het uitreikingsblad is de naam van de uitreikende ambtenaar vermeld. De functie van de uitreikende ambtenaar is weliswaar niet vermeld, maar uit het verslag van het vertrekgesprek van 23 januari 2026 blijkt dat dit verslag door dezelfde persoon is ondertekend, waarbij onder de naam staat vermeld dat deze persoon regievoerder is. Ook staat bovenaan dit verslag dat de regievoerder de contactpersoon van eiser is. Uit het uitreikingsblad en het verslag van het vertrekgesprek van 23 januari 2026 blijkt verder dat de regievoerder van DT&V het verlengingsbesluit aan eiser heeft uitgereikt en toegelicht, maar dat eiser heeft geweigerd het besluit in ontvangst te nemen en te ondertekenen. Dat eiser heeft geweigerd het besluit in ontvangst te nemen en te ondertekenen, betekent niet dat het besluit niet aan hem is uitgereikt. Uit het uitreikingsblad, in samenhang met het verslag van het vertrekgesprek, blijkt dat het besluit op 23 januari 2026 aan eiser in persoon is aangeboden. Hiermee is het besluit op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb. Het verlengingsbesluit is daarmee genomen op 23 januari 2026, vóór het verstrijken van de in artikel 59, vijfde lid, van de Vw genoemde termijn van zes maanden. Daarmee is de bewaring tijdig verlengd.

Voorwaarden voor verlenging

5. Eiser heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het verlengingsbesluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken blijkt dat verweerder op 7 juli 2025 een aanvraag voor een lp heeft ingediend bij de Ghanese autoriteiten en nadien herhaaldelijk heeft gerappelleerd. Verder blijkt dat eiser op 8 oktober 2025 in de gelegenheid is gesteld voor een presentatie bij de Ghanese autoriteiten, maar dat eiser heeft geweigerd hieraan mee te werken. Deze weigering heeft het onderzoek naar de afgifte van een vervangend reisdocument belemmerd en komt voor rekening en risico van eiser. Ook blijkt dat eiser meermalen is verzocht om informatie en documenten te verstekken ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, maar dat eiser hieraan geen gehoor heeft gegeven. Daarnaast blijkt uit de verslagen van de vertrekgesprekken, waaronder die van 23 januari 2026 en 13 februari 2026, dat eiser heeft verklaard niet te willen terugkeren naar Ghana en geen medewerking te willen verlenen aan zijn vertrek. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 13 februari 2026 verklaard dat hij niets heeft gedaan om zijn identiteit met documenten te onderbouwen en dat hij in de toekomst ook niets zal doen om aan zijn vertrekplicht te voldoen. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen medewerking verleent aan zijn uitzetting en dat de benodigde documentatie voor uitzetting nog ontbreekt. Gelet op de ingediende aanvraag voor een lp, de herhaalde rappels en de gevoerde vertrekgesprekken, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende inspanning heeft verricht om eisers uitzetting te realiseren. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de bewaring als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw.

Bewaringsgronden

7. De rechtbank stelt vast dat het verlengingsbesluit mede verwijst naar de gronden van bewaring zoals opgenomen in de maatregel van 30 juli 2025. Eiser heeft deze gronden in de huidige procedure niet bestreden. Niet is gebleken dat deze gronden, die door de rechtbank eerder zijn getoetst, zich niet langer voordoen. Gelet hierop bestaat nog altijd het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Voortvarendheid en zicht op uitzetting

8. Eiser voert verder aan dat zicht op uitzetting ontbreekt en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat de aanvraag voor een lp reeds op 7 juli 2025 is ingediend en sindsdien geen resultaat is bereikt. Onder deze omstandigheden is de voortzetting van de bewaring onevenredig.

9. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Ghana in het algemeen niet. Niet is gebleken van aanknopingspunten dat dit in het geval van eiser anders is. Daarbij is van belang dat de aanvraag voor een lp nog in behandeling is bij de Ghanese autoriteiten en niet is gebleken dat zij hebben geweigerd een vervangend reisdocument voor eiser te verstrekken. Verweerder heeft een aanvraag voor een lp ingediend, regelmatig gerappelleerd bij de Ghanese autoriteiten en vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Dat de afgifte van een lp tijd vergt, maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt, temeer nu eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Nu eiser weigert mee te werken aan zijn uitzetting, komen de gevolgen daarvan voor eisers eigen rekening en risico. Niet is gebleken dat voor eiser bij volledige medewerking geen lp zal worden afgegeven door de Ghanese autoriteiten. Gelet hierop is voldoende inzichtelijk dat verweerder voortvarend aan eisers uitzetting werkt. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat het niet langer gerechtvaardigd dan wel redelijk is om de maatregel van bewaring voort te zetten. Onder deze omstandigheden is niet gebleken dat uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt.

Ambtshalve toets

10. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor de conclusie dat het verlengingsbesluit dan wel het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.J. Schouw

Griffier

  • mr. S. Mohandes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?