RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54561
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom hij de gestelde problemen met de autoriteiten vanwege berichten op sociale media niet geloofwaardig vindt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 23 april 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 november 2025 in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft ook een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van eisers echtgenote en de verzoeken om voorlopige voorziening van eiser en zijn echtgenote. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de echtgenote van eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Voorgeschiedenis
4. Eiser heeft op 19 oktober 2018 voor de eerste keer in Nederland asiel aangevraagd. Eiser heeft daarbij naar voren gebracht dat hij wordt gezocht door de politie vanwege een artikel over de onschuld van vijf veroordeelde terroristen, dat hij heeft gepubliceerd op internet. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat hij niet geloofwaardig vond dat eiser een activistisch artikel zou hebben geschreven en daardoor problemen met de politie heeft gekregen. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 14 december 2018 ongegrond verklaard.
5. Vervolgens heeft eiser op 1 februari 2019, 30 december 2019, 27 juli 2020, 28 oktober 2020 en 19 maart 2021 opnieuw asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvragen van 1 februari 2019, 28 oktober 2020 en 19 maart 2021 niet-ontvankelijk verklaard en de overige aanvragen buiten behandeling gesteld.
6. Eiser is op 19 maart 2021 uitgezet naar India. Eiser is na aankomst direct doorgereisd naar Nepal, waar hij ongeveer acht maanden heeft verbleven. Vervolgens is hij opnieuw naar Europa gekomen en heeft hij de onderhavige asielaanvraag gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
7. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Nadat eiser op 19 maart 2021 is uitgezet, kreeg hij direct nadat hij in India was geland te horen dat hij zich bij de politie in zijn woonplaats moest melden. Eiser is daarom meteen doorgereisd naar Nepal. Eiser stelt dat tegen hem valse aanklachten zijn gedaan, omdat hij commentaar heeft geplaatst op sociale media. Eiser heeft ter onderbouwing kopieën van artikelen overgelegd van de Times of India, Siasat Daily, Sadhi Sharma en Hindi Milap. Eiser vreest dat de politie hem bij terugkeer naar India zal vermoorden.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met de autoriteiten vanwege de uitspraken op sociale media.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister vindt de problemen met de autoriteiten vanwege de uitspraken op sociale media niet geloofwaardig. De minister vindt dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Eiser heeft namelijk de berichten die hij stelt te hebben geplaatst op sociale media niet overgelegd en ook niet volledig meegewerkt en antwoord gegeven op de vragen die de hoormedewerker heeft gesteld. Hij heeft verklaard dat de minister kan inloggen op zijn accounts en dat de berichten publiekelijk zijn. Verder vindt de minister dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft na doorvragen slechts een algemene beschrijving gegeven van het commentaar dat hij op sociale media heeft geplaatst. Eiser kan ook weinig verklaren over de artikelen die hij heeft overgelegd. Eiser heeft de artikelen niet fysiek overgelegd, waardoor de minister ze niet op echtheid kan onderzoeken. Uit openbare bronnen blijkt volgens de minister bovendien dat het mogelijk is om tegen betaling nieuws te laten plaatsen in India. De schermafbeelding van een opname van de VHP kan niet worden geverifieerd en er kan niet uit worden afgeleid wie daarop te zien is en wat er gezegd wordt. Tot slot heeft de minister middels openbare bronnenonderzoek geen informatie gevonden over de gestelde persconferentie van de VHP. De minister ziet in het geloofwaardig gevonden asielmotief geen redenen om een asielvergunning te verlenen.
Kon de minister de problemen met de autoriteiten ongeloofwaardig vinden?
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de overgelegde documenten. Het betreft publicaties uit betrouwbare, onpartijdige nieuwsorganisaties. De artikelen bevatten feitelijke berichtgeving. Verder heeft eiser informatie overgelegd van een bijeenkomst van de VHP. Het kan kloppen dat de minister niets heeft kunnen vinden over de persconferentie, omdat oudere uitgaven van kranten niet meer online beschikbaar zijn. Tot slot heeft eiser in beroep screenshots overgelegd van video’s op zijn YouTube kanaal. Hij stelt dat hij zich daarin politiek heeft uitgelaten en dat velen zijn geïnteresseerd in zijn boodschap. Op de zitting heeft eiser nog verklaard dat hij vermeld staat op politiewebsites en dat zijn familieleden zijn opgepakt en gemarteld. Daarom vindt eiser dat het tweede asielmotief geloofwaardig is en zijn daarmee verband houdende vrees voor de autoriteiten aannemelijk is.
10. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de gestelde problemen met de autoriteiten vanwege uitlatingen op sociale media niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. Daartoe heeft de minister allereerst aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij de commentaren die hij op sociale media stelt te hebben geplaatst niet heeft overgelegd en ook niet heeft uitgelegd wat de concrete inhoud ervan is. Eiser heeft slechts een algemene en summiere beschrijving van de commentaren gegeven. Van eiser mag worden verwacht dat hij hierover meer kan verklaren, omdat het de reden voor zijn (opvolgende) asielaanvraag is en hij de commentaren zelf zou hebben geschreven. De minister heeft het onvoldoende kunnen vinden dat eiser erop heeft gewezen dat de minister kan inloggen op zijn accounts. Het is namelijk aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken.
De in beroep overgelegde schermafbeelding van YouTube leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft er op de zitting terecht op gewezen dat daaruit niet duidelijk wordt wat de inhoud van de video’s is. Verder zijn de video’s pas twee jaar geleden geplaatst, waardoor deze niet al in 2021 tot de gestelde negatieve belangstelling van de autoriteiten hebben kunnen leiden. Bovendien blijkt uit de schermafbeeldingen dat eisers kanaal maar zes abonnees heeft en dat de video’s maar een paar keer zijn bekeken, terwijl eiser heeft verklaard dat er veel aandacht voor zijn activiteiten op sociale media zou zijn.
De minister heeft zich verder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ook met de overgelegde nieuwsartikelen en de schermafbeelding van een video van een bijeenkomst van de VHP niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Eiser heeft allereerst geen originele artikelen overgelegd, waardoor het voor de minister niet mogelijk is om de artikelen te beoordelen op authenticiteit. Dat de media waaruit de artikelen volgens eiser afkomstig zijn, betrouwbare nieuwsbronnen zouden zijn, maakt niet dat reeds daarom van de authenticiteit van de publicaties moet worden uitgegaan. De rechtbank vindt daarbij van belang dat de minister erop heeft gewezen dat het in India mogelijk is om tegen betaling nieuws te laten plaatsen, wat eiser niet heeft betwist. De minister heeft verder kunnen overwegen dat de schermafbeelding van de video niet op echtheid kan worden gecontroleerd en dat op grond van de schermafbeelding niet kan worden vastgesteld wie erop te zien zijn en wat er wordt gezegd. De minister heeft daarbij ook van belang kunne vinden dat met openbare bronnenonderzoek geen informatie is gevonden over de gestelde persconferentie of over protesten van de VHP waarin eiser zou worden genoemd. De enkele stelling van eiser dat de uitgave van de Daily Hindi Milap van 30 april 2023 inmiddels niet meer op internet beschikbaar is, maakt dat niet anders. Eiser heeft gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de bijeenkomst met hem in verband moet worden gebracht en dat hij gelet daarop in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.
Eisers verklaring op de zitting dat hij vermeld zou worden op politiewebsites en dat zijn familieleden zouden zijn opgepakt en gemarteld, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft hierover pas op de zitting verklaard en heeft deze verklaring niet verder concreet gemaakt of met documenten onderbouwd. Ook met het voorlezen door eiser van een nieuwsartikel heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de minister dat asielmotief ongeloofwaardig is, niet zou deugen.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.