Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaken tussen
V.O.F. [eiseres] , gevestigd te [plaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 25/3403 en SGR 25/3480
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd ter zake van een Volkswagen Tiguan met datum eerste toelating 27 juli 2020 (auto 1) en een Volkswagen Tiguan met datum eerste toelating 19 juni 2018 (auto 2).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 april 2025 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroep dat ziet op auto 1 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 25/3480; het beroep dat ziet op auto 2 onder zaaknummer SGR 25/3403.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026.
Namens eiseres is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Overwegingen
Auto 1
Feiten
Auto 1
1. Eiseres heeft op 1 november 2023 aangifte Bpm gedaan ter zake van auto 1. Eiseres heeft auto 1 gekocht voor € 13.000.
2. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van JB Taxaties B.V. (de taxateur). De taxateur heeft de huidige inkoopwaarde van auto 1 aan de hand van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.250 en, onder meer, een waardevermindering wegens schade vastgesteld op € 6.200.
3. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 6.200. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 2.024 en is op aangifte voldaan.
4. Op 14 november 2023 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. Door DRZ is de huidige inkoopwaarde van auto 1 bepaald op de Autotelexpro koerslijstwaarde van € 31.803. Door DRZ is geen waardevermindering aanmerking genomen. In het rapport van DRZ is opgenomen dat de auto essentiële gebreken heeft omdat zich in het veiligheidssysteem van de auto diverse storingen voordoen.
Auto 2
5. Eiseres heeft op 22 december 2023 aangifte Bpm gedaan ter zake van auto 2. Eiseres heeft auto 2 gekocht voor € 17.500.
6. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van de taxateur. De taxateur heeft de huidige inkoopwaarde van auto 2 aan de hand van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 12.350 en, onder meer, een waardevermindering wegens schade vastgesteld op € 4.500.
7. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 4.500. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.475 en is op aangifte voldaan.
8. Op 12 januari 2024 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. Door DRZ is de huidige inkoopwaarde van auto 2 bepaald op € 24.108. Daartoe is op een Autotelexpro koerslijstwaarde van € 26.160 een waardevermindering wegens schade toegepast van € 2.141, ofwel 31% van de door DRZ geconstateerde schade. Door DRZ is geen verdere waardevermindering aanmerking genomen.
Beide auto’s
9. De nageheven Bpm bedraagt € 11.733 en ziet voor € 6.867 op auto 1 en voor € 4.866 op auto 2. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van de forfaitaire tabel, omdat die gunstiger is voor eiseres dan berekening op basis van de individuele waardebepalingen door DRZ. Voor auto 1 is een afschrijving van 56% toegepast; voor auto 2 is een afschrijving van 67,42% toegepast. Deze percentages zijn berekend met inachtneming van de forfaitaire tabel zoals die vanaf 1 juli 2023 luidt. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 152.
Geschil
10. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.
11. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Daarbij doet eiseres een beroep op de taxatiemethode en stelt zij dat de aangiften moeten worden gevolgd. Subsidiair stelt eiseres dat toepassing van de forfaitaire tabel dient te resulteren in een hogere afschrijving dan het door verweerder in aanmerking genomen percentage.
12. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.
Beoordeling van het geschil
13. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025, slaagt de beroepsgrond van eiseres met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
14. De bewijslast met betrekking tot de schade rust op eiseres. Zij heeft daartoe gewezen op het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Verweerder heeft de door eiseres bepleite waardevermindering wegens schade gemotiveerd betwist. Ter zake van auto 1 stelt hij dat sprake is van essentiële gebreken zodat geen vermindering vanwege schade in aanmerking dient te worden genomen. Verweerder weerspreekt zowel ter zake van auto 1 (subsidiair) als ter zake van auto 2 de door eiseres gestelde schade voor zover deze uitgaat boven de schade die door DRZ is geconstateerd.
15. Krachtens artikel 10, achtste lid, onderdeel b, van de Wet Bpm komt de taxatiemethode niet in aanmerking als het motorrijtuig een essentieel gebrek kent, dat wil zeggen dat het niet voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde eisen waardoor daarmee mag worden gereden op de weg.
16. In het rapport van DRZ is geconstateerd dat zich in het veiligheidssysteem van de auto diverse storingen voordoen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze constatering, die is onderbouwd met foto’s van het display van auto 1. Op het display zijn diverse storingsmeldingen af te lezen, waardoor niet wordt niet voldaan aan het in artikel 7.1.5. van de Regeling Voertuigen geformuleerde vereiste dat, indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, deze goed moeten functioneren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een essentieel gebrek en mocht eiseres bij het doen van aangifte geen gebruik maken van de taxatiemethode. Dat de auto wel door de RDW is goedgekeurd doet aan dit oordeel niet af.
17. Eiseres heeft gesteld dat ook bij essentiële gebreken een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen. Zij verwijst naar hetgeen daarover is bepaald in het Kaderbesluit BPM 2021 en doet een beroep op het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt. Uit het standpunt van de kennisgroep volgt dat indien een aangifte Bpm, ingediend voor 26 maart 2021, nog niet onherroepelijk vaststaat ook een beroep kan worden gedaan op de inmiddels ingetrokken goedkeuring die was opgenomen in artikel 6.5 van voornoemd Besluit van de Staatssecretaris. Deze goedkeuring hield onder meer in dat bij motorrijtuigen met een essentieel gebrek niet zal worden teruggekomen op de door belastingplichtige gemaakte keuze voor de gehanteerde afschrijvingsmethodiek. Dat de goedkeuring niet van toepassing is op onderhavige geval is volgens eiseres in strijd met het gelijkheidsbeginsel en artikel 110 van het VWEU.
18. Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Anders dan eiseres bepleit is namelijk niet sprake van gelijke situaties. De handelswijze van verweerder waar eiseres zich op beroept vond plaats ten tijde dat wetgeving gold die met ingang van 1 januari 2022 is gewijzigd. Auto’s die na die 1 januari 2022 zijn geïmporteerd bevinden zich dan ook in een rechtens andere situatie dan auto’s die voor die datum zijn geïmporteerd. Dat de datum eerste toelating van de auto is gelegen voor 1 januari 2022 doet daar niet aan af. Dat er gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn ter zake waarvan na 25 maart 2021 aangifte Bpm is gedaan en waarbij een beroep op de ingetrokken goedkeuring is gehonoreerd, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt. Ook het beroep van eiseres op artikel 110 VWEU slaagt niet. Dat voor 1 januari 2022 auto’s zijn geïmporteerd onder een gunstiger regime dan gold ter zake van daarna geïmporteerde auto’s houdt alleen een verschil in behandeling in tussen vergelijkbare geïmporteerde auto’s, maar niet een voor artikel 110 VWEU betekenend verschil tussen op de buitenlandse en de binnenlandse markt verworven gebruikte auto’s.
Auto 2
19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat auto 2 ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door DRZ is onderkend. De in het taxatierapport opgenomen schade strookt niet met de bevindingen van DRZ en wordt niet ondersteund door reparatiefacturen. Daar komt bij dat de door eiseres bepleite handelsinkoopwaarde niet valt te verenigen met de eigen aankoopprijs, die een factor vier hoger ligt dan de door de taxateur getaxeerde waarde. Dat, zoals eiseres stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en verdergaande schade en dat de beoordeling door DRZ daarvan afwijkt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat volgens eiseres binnen de branche zou zijn ontwikkeld.
Forfaitaire tabel
20. Met haar subsidiaire standpunt beroept eiseres zich op toepassing van een combinatie van de forfaitaire tabel van vóór 1 juli 2023 (de oude tabel) en de forfaitaire tabel vanaf die datum (de nieuwe tabel). Voor de periode tussen datum eerste goedkeuring en 1 juli 2023 dient volgens eiseres de oude tabel te worden toegepast en voor de periode vanaf 1 juli 2023 de nieuwe tabel. Langs deze weg bepleit eiseres een afschrijving van 58,998% voor auto 1 en een afschrijving van 76,388% voor auto 2.
21. Met ingang van 1 januari 2022 is het belastbaar feit de datum van inschrijving van de auto. Uit de stukken blijkt dat de keuringen van auto 1 en auto 2 bij de RDW op 1 november 2023 respectievelijk 22 december 2023 hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat het belastbaar feit zich voor beide auto’s na 1 juli 2023 heeft voorgedaan en verweerder terecht is uitgegaan van de nieuwe tabel. Voor de door eiseres bepleite combinatie van de oude- en de nieuwe tabel ontbreekt een wettelijke grondslag.
Anders dan eiseres stelt, voert het gebruik van de nieuwe tabel niet tot schending van artikel 110 VWEU. De nieuwe tabel geldt namelijk voor ieder voertuig ter zake waarvan het belastbare feit zich op of na 1 juli 2023, zonder onderscheid tussen uit een andere lidstaat afkomstige voertuigen en binnenlandse voertuigen.
22. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
23. Gelet op wat hiervoor is de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).