Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 19 november 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. de Boom in Barendrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Emeis in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
De minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige]) heeft een brief geschreven aan de kinderrechter.
Op 10 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer
De man heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De vrouw heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, het verzoek tot verdeling van de bankrekeningen, de schulden en de inboedel zoals aangegeven in het verweerschrift onder punt 27 en 28. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast heeft de vrouw zelfstandig verzocht, zoals dat na wijziging nu luidt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en naar de rechtbank begrijpt:
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot echtscheiding en het voorwaardelijk verzoek tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. De man heeft tegen de overige verzoeken verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend, zoals op grond van artikel 815 Wetboek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is vereist. Toch zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding, omdat het partijen tot op heden niet is gelukt om zelf afspraken te maken over [minderjarige].
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken.
De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Zorgregeling
Op de zitting heeft de rechtbank uitgebreid met partijen en de Raad gesproken over de zorgregeling.
Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling tussen de man en [minderjarige]. De vrouw heeft er op de zitting alsnog mee ingestemd dat [minderjarige], zoals nu ook al het geval is, om de week van vrijdagavond tussen 18.30 – 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man zal zijn, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagavond bij de vrouw thuis ophaalt en [minderjarige] op zondagavond naar de vrouw terugbrengt.
Partijen hebben op de zitting ook overeenstemming bereikt over de vakantie- en feestdagenregeling. Zij zijn overeengekomen dat [minderjarige] bij de man zal zijn in de herfst- en de voorjaarsvakantie, dat [minderjarige] bij de vrouw zal zijn in de meivakantie en dat de zomervakantie, de kerstvakantie, de studiedagen en de feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld.
Partijen hebben op de zitting tot slot ook overeenstemming bereikt over de belregeling. Zij zijn overeengekomen dat:
De rechtbank zal aldus beslissen en zal het meer of anders verzochte over de zorgregeling afwijzen.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank heeft een brief aan [minderjarige] geschreven, die gelijktijdig met deze beschikking zal worden verstuurd. De inhoud van die brief luidt als volgt:
“Beste [minderjarige],
Wat heb jij mij een mooie brief geschreven! Toen jouw moeder mij uitlegde waarom jij jouw brief begon met ‘hallo granaatappel’, moest ik erg lachen. In jouw brief schreef jij mij dat jij eigenlijk niks zou willen veranderen en dat jij het goed vindt dat jij om het weekend bij papa bent. Ik heb met jouw papa en mama gesproken over wanneer jij bij papa en wanneer jij bij mama zal zijn. Zij hebben samen afgesproken dat het blijft zoals het nu is en dat jij dus om het weekend bij papa bent. Ik vind het fijn dat jouw papa en mama dat samen hebben afgesproken voor jou. Voor jou verandert er dus niets. Ik wens je veel plezier de komende tijd, ook met school en hockey.”
Kinderalimentatie en partneralimentatie
Partijen hebben op de zitting volledige overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Zij zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw € 556,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige] en € 250,- bruto per maand aan partneralimentatie zal betalen. Deze afspraak zal ingaan met ingang van de datum van de levering van de echtelijke woning, omdat de man de lasten van de echtelijke woning tot dat moment zal blijven betalen. De rechtbank zal aldus beslissen, ook omdat zij deze bijdragen redelijk en billijk acht en niet in strijd met de wettelijke maatstaven en zal het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie en de partneralimentatie afwijzen.
Verdeling beperkte gemeenschap
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021. Niet gesteld en verder is ook niet gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. De rechtbank stelt daarom vast dat partijen met elkaar zijn gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
De rechtbank overweegt dat de door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94 tweede en zevende lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van wordt als uitgangspunt genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap en dat iedere partij de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt op grond van artikel 1:99 lid 1 sub b BW als peildatum de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Dat is 19 november 2024.
Voor zover partijen niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen, geldt voor de waardering geldt de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang huwelijksgemeenschap
Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen en schulden al dan niet in de ontbonden beperkte huwelijksgemeenschap vallen:
de inboedelgoederen;
de Fiat 500X met kenteken [kenteken];
de belastingteruggave;
de schuld bij de ouders van de vrouw;
de schuld bij de ouders van de man.
ad a) de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening
De rechtbank zal de wijze van verdeling van de echtelijke woning hierna, onder een aparte kop (echtelijke woning: onverdeeld laten, voortgezet gebruik en verdeling) vaststellen.
ad b) de saldi op de bankrekeningen
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat de vrouw naast een betaalrekening op haar naam nog een spaarrekening op haar naam heeft dan wel had, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stelling van de man. Dit betekent dat in de verdeling van ontbonden de beperkte gemeenschap betrokken worden de saldi op de bankrekeningen op naam van de man en de saldi op de bankrekening op naam van de vrouw.
Partijen zijn het er over eens dat aan de man wordt toegedeeld de saldi op de bankrekeningen op zijn naam en dat aan de vrouw wordt toegedeeld de saldi op de bankrekening op haar naam, zonder nadere verrekening met de andere partij. De rechtbank zal aldus beslissen.
ad c) de inboedelgoederen
Partijen hebben op de zitting afgesproken dat zij met behulp van hun advocaten de inboedelgoederen in onderling overleg bij helfte zullen verdelen. De rechtbank zal aldus beslissen.
ad d) de Fiat 500X
Partijen zijn het er inmiddels over eens dat de auto in de ontbonden beperkte gemeenschap van goederen valt en dat de auto wordt toegedeeld aan de vrouw, met verrekening van de helft van de waarde aan de man.
Tussen partijen is de waarde van de auto nog wel in geschil. De man heeft initieel gesteld dat de auto € 22.000,- waard is. Dit is door de vrouw betwist en zij heeft initieel gesteld dat de auto € 15.000,- waard is. Nadien heeft de vrouw de waarde van de auto, na aftrek van de onderhouds- en APK-kosten en schade, gesteld op € 10.050,-. De vrouw heeft daarbij verwezen naar een recente taxatie van de auto. Gelet op de overgelegde stukken, dat wat op de zitting met partijen is besproken en de peildatum, zal de rechtbank de waarde van de auto vaststellen op € 15.000,-.
De rechtbank zal aldus beslissen dat de auto aan de vrouw wordt toegedeeld voor € 15.000,-, met verrekening van de helft van de waarde aan de man.
ad e) de belastingteruggave
Partijen hebben op de zitting afgesproken dat zij de belastingteruggave over 2024 bij helfte met elkaar zullen verdelen en dat zij de belastingteruggave over 2025 niet meer met elkaar zullen verdelen. De rechtbank zal aldus vaststellen.
ad f) en g) de schuld bij de ouders van de vrouw en de schuld bij de ouders van de man
Partijen hebben afgesproken dat zij de schulden aan hun ouders zullen aflossen met de netto gerealiseerde overwaarde na verkoop van de echtelijke woning. De rechtbank zal aldus vaststellen.
Echtelijke woning: onverdeeld laten, voortgezet gebruik en verdeling De vrouw wil de echtelijke woning van partijen onverdeeld laten tot 1 augustus 2029. De vrouw woont sinds het feitelijk uiteengaan van partijen met [minderjarige] in de echtelijke woning. [minderjarige] is er, ook gelet op zijn problematiek, zeer bij gebaat als zijn leven voorlopig zo veel mogelijk kan worden voortgezet zoals hij gewend is en dat hij niet hoeft te wisselen van basisschool. De vrouw is op zoek naar vervangende woonruimte in de buurt van de basisschool van [minderjarige], maar zij is aangewezen op een sociale huurwoning en heeft deze nog niet gevonden. Zodra dit wel het geval is, kan de echtelijke woning worden verkocht. Subsidiair verzoekt de vrouw om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen.
De man verzet zich tegen het onverdeeld laten van de echtelijke woning van partijen. De man wil dat de woning zo snel mogelijk wordt verkocht, nu de woningmarkt gunstig is. De man kan op dit moment geen andere woning kopen, omdat hij nog vastzit aan de hypothecaire geldleningen die zijn verbonden aan de echtelijke woning en hij de overwaarde nodig heeft. Daarbij komt dat de vrouw niet in staat is om de lasten van de echtelijke woning te betalen. De man stemt wel in met het subsidiaire verzoek van de vrouw om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 3:178 BW volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Op dit beginsel is een aantal uitzonderingen gemaakt. Zo bepaalt artikel 3:178 lid 3 BW dat, indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, een vordering tot verdeling kan uitsluiten.
De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van de vrouw bij het nu onverdeeld laten van de echtelijke woning groter is dan het belang van de man bij verdeling van de echtelijke woning. Nog los van het feit dat de rechtbank de vordering tot verdeling van de echtelijke woning maximaal drie jaar kan uitsluiten en dus niet tot 1 augustus 2029, zoals door de vrouw is verzocht, acht de rechtbank dit – hoewel de wens van de vrouw hiertoe gelet op de woningmarkt zeer invoelbaar is – niet redelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dit aanmerkelijk belang, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat partijen al sinds mei 2023 feitelijk uit elkaar zijn en dat de vrouw met [minderjarige] in de woning is blijven wonen, terwijl de man vanaf dat moment steeds elders heeft moeten verblijven. Vanaf het begin af aan is het voor partijen duidelijk geweest dat geen van hen de echtelijke woning kan overnemen. Gebleken is verder dat vaststaat dat de vrouw aangewezen is op een sociale huurwoning en dat de man de overwaarde nodig heeft om een andere woning te kunnen kopen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het belang van de man om de echtelijke woning te verkopen nu zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de echtelijke woning voorlopig onverdeeld te laten. Dat [minderjarige] moeite heeft met de scheiding en mogelijk te maken zal krijgen met een verhuizing en wisseling van school is uiteraard verdrietig, maar dat na de inzet van [instantie] nog sprake is van dermate ernstige problematiek dat het belang van [minderjarige] meebrengt om hierover anders te oordelen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dus afwijzen.
Omdat de man heeft ingestemd met het subsidiaire verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen, zal de rechtbank dat verzoek van de vrouw wel toewijzen. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij, vanwege de door partijen gemaakte afspraken over de kinderalimentatie en de partneralimentatie, geen gebruiksvergoeding van de vrouw hoeft.
Het voorgaande betekent dat de echtelijke woning verkocht zal moeten worden. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de echtelijke woning vaststellen, conform het zogenoemde ‘spoorboekje’ in het dictum van deze beschikking.
De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte over de echtelijke woning afwijzen.
Beslissing
vakantie- en feestdagenregeling:
belregeling:
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, met elkaar gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 1];
*
bepaalt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats]:reguliere zorgregeling:
- om de week van vrijdagavond tussen 18.30 – 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man zal zijn, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagavond bij de vrouw thuis ophaalt en [minderjarige] op zondagavond naar de vrouw terugbrengt;
- met de man zal bellen op dinsdagavond, donderdagavond en zaterdagavond in het weekend dat hij bij de vrouw is om 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige] belt, en dat [minderjarige] met de vrouw zal bellen op zaterdagavond in het weekend dat hij bij de man is om 18.30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] belt;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van levering van de echtelijke woning, een kinderalimentatie voor [minderjarige] moet betalen van € 596,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van levering van de echtelijke woning, een partneralimentatie moet betalen van € 250,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning in ([postcode]) [plaats 2] aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap – onder voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – dat:
- ten aanzien van de echtelijke woning in ([postcode]) [plaats 2] aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij ING:
- de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.