RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen
[naam], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/870
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om uitstel van vertrek om medische redenen. Volgens eiseres bestaat er vanwege medische redenen een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. De minister neemt dit alleen aan als blijkt dat het achterwege blijven van een medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Volgens de door de minister bij het BMA opgevraagde medische adviezen is er geen sprake van een medische noodsituatie.
2. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat de BMA-adviezen op twee punten onvoldoende inzichtelijk zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.
Procesverloop
3. Eiseres heeft op 4 juli 2022 een aanvraag ingediend voor verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. De minister heeft met het besluit van 1 september 2022 dit verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 januari 2023 is de minister bij de afwijzing gebleven.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/12179 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, een deskundige van eiseres en de gemachtigde van de minister. Op de zitting is afgesproken dat de minister nog mag reageren op het verzoek tot schadevergoeding dat de gemachtigde van eiseres op de zitting heeft gedaan. De rechtbank heeft de reactie van de minister op 22 december 2025 en de reactie van de gemachtigde van eiseres op 23 december 2025 ontvangen. Het onderzoek is vervolgens gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
4. De rechtbank overweegt dat het EHRM in haar rechtspraak heeft benadrukt dat de drempel voor een beroep op artikel 3 van het EVRM in medische zaken hoog is. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden is uitzetting door een medische toestand in strijd met artikel 3 van het EVRM.
De minister neemt alleen een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aan als blijkt dat het achterwege blijven van een medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie. Onder een medische noodsituatie wordt verstaan de situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Hieronder valt ook een (vrijwel) volledig verlies van ADL-zelfstandigheid (activiteiten dagelijks leven) of gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis in het kader van de Wet verplichte ggz of de Wet zorg en dwang.
Om dit te beoordelen vraagt de minister advies aan het BMA. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter is een advies van het BMA een deskundigenadvies. Het BMA-advies moet op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze zijn opgesteld. Als het advies aan deze eisen voldoet mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies. Het is aan eiseres om die punten naar voren te brengen. BMA-adviezen
5. Op verzoek van de minister heeft het BMA op 26 augustus 2022, 14 juli 2023, 26 april 2024, 26 juni 2024, 25 oktober 2024, 19 augustus 2025, 25 augustus 2025, 28 november 2025 en 16 december 2025 advies uitgebracht. Uit deze adviezen blijkt dat eiseres onder meer bekend is met: suikerziekte, hoge bloeddruk, posttraumatisch stress stoornis (PTSS) en depressieve stoornis, functionele loopstoornis, urgency-incontinentie en buikklachten. Daarnaast ontvangt zij mantelzorg van haar zus, die niet essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling. Bij het staken van de medicatie en behandelingen verwacht het BMA geen medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Verder kan eiseres niet reizen, tenzij voorafgaand aan de reis een fysieke overdracht is geregeld. Er is namelijk sprake van een verhoogd suïciderisico als betrokkene niet bij haar zus kan blijven.Zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het BMA-advies?
ADL-zelfstandigheid en medische noodsituatie
6. Eiseres betoogt dat in het BMA-advies niet is ingegaan op de mogelijkheid van het (vrijwel) volledig verlies van ADL-zelfstandigheid. De deskundige heeft in meerdere adviezen en op de zitting benadrukt dat bij het uitblijven van behandeling eiseres (vrijwel) volledig haar ADL-zelfstandigheid verliest. Dit wordt ook in een brief door de behandelend psychiater bevestigd.
De minister betoogt dat in het BMA-advies besloten ligt dat het BMA naar het verlies van ADL-zelfstandigheid heeft gekeken. Zo heeft het BMA beoordeeld dat bij het uitblijven van de behandeling van de functionele loopstoornis de huidige beperkingen blijven bestaan en eiseres dus rolstoelafhankelijk zal blijven. Een snelle verdere toename van loopstoornissen wordt niet verwacht. De brief van de behandeld psychiater is door het BMA meegenomen in de beoordeling. Verder heeft het BMA gekeken naar het totaal van medische problemen van eiseres en komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een medische noodsituatie.
7. De beroepsgrond van eiseres slaagt. Zoals onder 4.1. volgt is één van de onderdelen van een medische noodsituatie of bij het uitblijven van de behandeling sprake is van een (vrijwel) volledig verlies van ADL-zelfstandigheid. Het BMA hoeft niet altijd alle onderdelen te benoemen en te motiveren. Maar in dit geval heeft de deskundige van eiseres meermaals geschreven over de ADL-zelfstandigheid van eiseres.
De deskundige van eiseres schrijft op 18 september 2023:(…)
“Haar draagkracht is volledig ondermijnd door de gebeurtenissen uit haar verleden, […], haar ziek zijn (FNS of conversie) en het progressieve beloop daarvan met grote kans op volledige ADL-afhankelijkheid op korte termijn.”
(…)
“Het staken van de behandeling zal zeker op korte termijn leiden tot een noodsituatie in de zin van een (vrijwel) volledig verlies van ADL-zelfstandigheid of overlijden.”
Daarna schrijft hij op 7 mei 2024:(…)
“Zonder behandeling zal er sprake zijn van een vrijwel volledige afwezigheid van ADL-zelfstandigheid.”
En vervolgens op 29 november 2025:(…)
“Gevreesd moet nog worden dat de [functioneel neurologische] stoornis zich uitbreidt naar de bovenste ledematen, dan wordt de ADL-afhankelijkheid volledig. Behandeling is hierbij essentieel.”
(…)
“De loopstoornis leidt nu al tot behoorlijke ADL-afhankelijkheid, mevrouw kan zich alleen per rolstoel verplaatsen. Ze heeft thuiszorg hulp nodig bij toiletgang en douchen en aan-/uitkleden.”
(…)
“Als er uitbreiding van de conversie verschijnselen naar haar bovenlichaam komt, er zijn nu al aanwijzingen dat dit aanstaande is en mevrouw is hier ook zeer bevreesd voor, dan wordt de afhankelijkheid volledig. Dit betekent dat er zonder behandeling voor de psychische klachten op korte termijn (3-6 maanden) sprake zal zijn van een medische noodsituatie.”
Verder beschrijft de behandeld psychiater in de brief van 15 juli 2025:(…)“De lichamelijke klachten nemen toe. Zij is nu ook incontinent voor urine, er is toename van de conversiestoornis met vaak een doof gevoel in de handen en armen.”
De deskundige zegt dus meerdere keren en heel duidelijk dat, als eiseres niet behandeld wordt, zij op korte termijn haar ADL-zelfstandigheid verliest. Daarom had het BMA hier in de adviezen kenbaar aandacht aan moeten besteden. Zeker nu het BMA meerdere adviezen heeft uitgebracht naar aanleiding van de overgelegde informatie van de deskundige van eiseres. Omdat dit niet is gedaan, zijn de adviezen op dit punt niet inzichtelijk. De rechtbank volgt de minister niet dat het benoemen van het uitblijven van de behandeling van de functionele loopstoornis betekent dat de ADL-afhankelijkheid in zijn geheel is beoordeeld. Hiermee is namelijk niet beoordeeld of het achterwege blijven van de verschillende behandelingen leiden tot een (vrijwel) volledig verlies van ADL-zelfstandigheid. Het beroep is hierom al gegrond.
Pijnklachten en medische noodsituatie
8. Eiseres is ook van mening dat het BMA ten onrechte niet heeft beoordeeld wat het stoppen van de behandeling betekent voor haar pijnklachten. Volgende de hoogste bestuursrechter moet het BMA dit wel doen. Het stoppen van de behandeling kan mede door de pijnklachten namelijk leiden tot een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden. De deskundige van eiseres heeft op zitting uitgelegd dat de pijnklachten van eiseres te maken hebben met de conversiestoornis. Pijn beleef je in je brein en conversie kan daarom pijnklachten geven.
Volgens de minister zijn de pijnklachten van eiseres betrokken bij het BMA-advies van 14 juli 2023. Daarin wordt ingegaan op de functionele klachten, conversiestoornis en psychosomatische therapie. Ook vindt de minister dat in het BMA-advies van 26 juni 2024 gereageerd is op de contraexpertise van de deskundige van eiseres van 7 mei 2024. In dat BMA-advies is de brief van de deskundige namelijk betrokken. Omdat ook hier naar het totaal van de medische problemen van eiseres is gekeken door het BMA, betekent dit dat haar pijnklachten bij het advies zijn betrokken.
9. Ook deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat er ook sprake kan zijn van een schending van artikel 4 van Handvest als bij terugkeer naar het land van herkomst geen passende behandeling beschikbaar is, terwijl er sprake is van een geleidelijke toename van pijn. Dit is ook zo, als die toename pas na een bepaalde tijd aanzienlijk en onherstelbaar wordt.
De deskundige schrijft in zijn stuk van 18 september 2023:
(…) “Een conversiestoornis […] is moeilijk te behandelen. De stoornis uit zich in lichamelijke klachten. Dit zijn bijvoorbeeld: spierzwakte, spierspasme, doofheid of visuele stoornissen, toevallen en stuipen, verlamming, pijn en incontinentie.” (…) “Behandeling kan effectief zijn, al is bekend dat zodra de stress te veel toeneemt er een grote kans is op een snelle terugval. Dit betekent dat het verblijf in een stabiele stressvrije omgeving blijvend onderdeel moet zijn van de behandeling.”
Daarnaast schrijft hij op 7 mei 2024:
(…)
“Ze zit in een rolstoel, is incontinent en heeft constant pijn. […]. Op het moment dat de behandeling wegvalt zal […] de conversiestoornis naar verwachting zich nog verder uitbreiden.”
Op de zitting heeft de deskundige benadrukt dat de pijn nadrukkelijk gerelateerd is aan de conversiestoornis. Als de conversie toeneemt, neemt de pijn ook toe.
De rechtbank oordeelt dat het BMA de pijnklachten van eiseres niet kenbaar heeft betrokken. Dat het BMA - zoals de minister betoogt - in zijn totaliteit naar de problematiek van eiseres heeft gekeken en dus de pijnklachten zijn meegenomen, volgt de rechtbank niet. Het BMA heeft weliswaar in het BMA-advies van 14 juli 2023 onder vraag 1b. benoemd dat eiseres pijnklachten heeft in haar benen, maar uit de BMA-adviezen volgt niet of het uitblijven van behandeling leidt tot een onmenselijke situatie van ondraaglijk leiden. Dat het BMA aangeeft dat een snelle verdere toename van loopstoornissen niet wordt verwacht, maakt niet dat de pijnklachten van eiseres kenbaar zijn betrokken. Daarmee is door het BMA namelijk onvoldoende ingegaan op wat de deskundige van eiseres aangeeft over de pijnklachten. De deskundige schrijft dat de conversiestoornis, zonder behandeling, toeneemt en daardoor haar pijnklachten ook toenemen. Ditzelfde geldt voor de onder punt 7.4. weergegeven brief van de psychiater, waaruit juist volgt dat de conversiestoornis toeneemt. De verwijzing van de minister naar het BMA-advies van 24 juni 2024 waarin staat dat de brief van de deskundige niet tot een ander oordeel leidt, is onvoldoende. Het BMA had moeten uitleggen waarom de in de brief van de deskundige genoemde pijnklachten niet tot een ander oordeel leiden en kan niet alleen een conclusie geven. Ook op dit punt is het advies niet zorgvuldig en inzichtelijk.
Is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn?
10. Op de zitting heeft eiseres verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De redelijke termijn in een zaak als deze bedraagt twee jaar; maximaal een half jaar voor het bezwaar en maximaal anderhalf jaar voor het beroep. Soms mag het langer duren, maar alleen als er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Daarbij is onder meer van belang: de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door de minister en de rechter is behandeld en het procesgedrag van eiseres. Het inschakelen van een deskundige kan aanleiding zijn tot verlenging van de termijn. Als de redelijke termijn is overschreden, moet de immateriële schade worden vergoed. Daarvoor wordt in principe € 500,- per halfjaar (of gedeelte daarvan) overschrijding van de totale duur gegeven.
11. De minister stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. In de beroepsfase heeft BMA, vanwege de complexe medische situatie van eiseres, meermaals gereageerd op de door eiseres ingediende omvangrijke en complexe medische stukken. De minister verwijst hierbij ook naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. In die vergelijkbare zaak werd de redelijke termijn met 51 maanden overschreden, waarvan een verlenging van 22 maanden gerechtvaardigd werd.
Eiseres stelt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn van twee jaar rechtvaardigen. De zaak is niet complex of ingewikkeld. De deskundige vindt de situatie ook niet complex, maar wel zeer ernstig. Dat het BMA niet in staat is een gedegen advies uit te brengen, maakt niet dat de termijn verlengd dient te worden.
12. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met bijna 18 maanden. Tussen het indienen van het bezwaarschrift op 2 september 2022 en deze uitspraak zit namelijk bijna 42 maanden, terwijl daar twee jaar (24 maanden) over gedaan mocht worden. Omdat de bezwaarprocedure binnen de termijn van een half jaar is gebleven, komt deze termijn volledig voor rekening van de rechtbank.
De rechtbank vindt niet dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. Deze zaak is niet zodanig complex dat het een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Weliswaar hebben partijen meermaals in beroep stukken gewisseld over de medische situatie van eiseres, maar dit betekent niet dat de zaak ook complex is. Daarnaast zijn in het dossier geen concrete aanknopingspunten te vinden dat de redelijke termijn is overschreden door de proceshouding van eiseres. Dat de minister het BMA meermaals heeft gevraagd om te reageren op medische stukken van eiseres en de rechtbank de verschillende aanhoudingsverzoeken van de minister heeft toegewezen, komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor rekening en risico van eiseres. Verder gaat de verwijzing van de minister naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter niet op. In die zaak is namelijk - anders dan in deze zaak - door de rechtbank een deskundige benoemd om onderzoek te doen naar de beschikbaarheid van medicatie.
Dat betekent dat de redelijke termijn dus is overschreden met bijna 18 maanden. De rechtbank zal daarom de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 1.500,00 aan eiseres.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet meer besproken te worden. De minister moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen en daarbij het BMA opnieuw om advies vragen. De rechtbank geeft de minister mee om in de beoordeling alle medische problematiek in onderlinge samenhang te bekijken. Eiseres krijgt ook vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 2.335,00. De minister hoeft het griffierecht niet te vergoeden, omdat de rechtbank het verzoek van eiseres om te worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van het griffierecht heeft toegewezen.
14. De rechtbank ziet in wat hiervoor is besproken aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres heeft namelijk anders geen recht op opvang of voorzieningen. De minister heeft zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd en de rechtbank treft daarom de voorziening dat de minister eiseres moet behandelen alsof aan haar uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw, tot zes weken na de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 27 februari 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.