RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45037 V
[opposant] , opposant
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 november 2025 in het geding tussen
opposant
en
Procesverloop
In de uitspraak van 4 november 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Uit de aangevallen uitspraak volgt dat rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde van eiser de gronden van beroep niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit verzuim niet verschoonbaar is. Om die reden heeft de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. Opposant heeft uiteengezet dat in de onderwerpregel van het herstelverzuimbericht, zoals zijn gemachtigde dat via het advocatenportaal heeft ontvangen, een uiterste datum voor het beroep was opgenomen. In de onderwerpregel staat: “De vervaldatum voor het herstellen van het verzuim is zaterdag 27 september 2025". Volgens opposant heeft zijn gemachtigde telefonisch contact gehad met een medewerker van de rechtbank, waarbij is medegedeeld dat de rechtbank zelf een fout heeft gemaakt bij de vermelding van de uiterste datum voor het indienen van de gronden van beroep. Opposant stelt dat zijn gemachtigde erop had mogen vertrouwen dat de door de rechtbank vermelde uiterste datum juist was en dat niet van haar kan worden verlangd om in iedere zaak zelfstandig na te rekenen of de rechtbank een fout heeft gemaakt. Daarbij wijst opposant erop dat in andere zaken van dezelfde gemachtigde, ook bij deze rechtbank, in de onderwerpsregel steeds een uiterste datum wordt vermeld die overeenkomt met de datum in het bericht zelf. Zij onderbouwd dit met verschillende schermafdrukken van de herstelverzuimberichten zoals gestuurd door in die zaken.
3. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser bij het indienen van het beroepschrift geen gronden heeft vermeld. De rechtbank heeft eiser om deze reden bij bericht van 19 september 2025 verzocht om de gronden alsnog binnen vijf werkdagen in te dienen. De uiterste datum voor het indienen van de gronden was daarmee 26 september 2025. De gronden van beroep zijn uiteindelijk op 27 september 2025 ingediend en daarmee één dag na afloop van de hersteltermijn. In verzet heeft mr. Deniz toegelicht dat in haar advocatenportaal een onderwerpregel zichtbaar was met de vermelding: “De vervaldatum voor het herstellen van het verzuim is zaterdag 27 september 2025.” Deze onderwerpregel is niet zichtbaar in het digitale dossier van de rechtbank. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze vermelding bij de gemachtigde van eiser tot verwarring heeft geleid over de uiterste hersteltermijn, terwijl deze verwarring niet aan haar kan worden toegerekend. Het verzet is gegrond.
5. Omdat het verzet gegrond is vervalt de uitspraak van 4 november 2025. De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal dus opnieuw op het beroep moeten beslissen.
6. De rechtbank ziet aanleiding de Staat der Nederlanden in de door opposant gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €467 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van opposant tot een bedrag van €467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op: