[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Aboukir),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
In het besluit van 13 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Partijen hebben niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 2025 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat bestreden besluit prematuur is uitgevaardigd, omdat hij op 13 augustus 2025 onder de bevriezingsmaatregel viel en dus op dat moment nog rechtmatig in Nederland verbleef.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Dat eiser onder de bevriezingsmaatregel viel ten tijde van het uitvaardigen van het bestreden besluit, doet niets af aan het voorgaande. De bevriezingsmaatregel kan namelijk niet anders worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf. Het bestreden besluit vermeldt verder dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Marokko. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
5. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
6. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
7. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.