[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Inleiding
In het besluit van 22 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de bestuursrechter
1. Eiser is geboren op [datum] 1989 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 6 mei 2023 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland. Op 18 augustus 2025 is hij door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij diverse medische problemen heeft, dat hij niet terug kan vallen op zijn familie en dat hij in Gambia niet alle medische zorg kan krijgen die hij nodig heeft.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde identiteit heeft verweerder echter niet geloofwaardig geacht omdat de identiteitsdocumenten die eiser heeft overgelegd (een geboorteakte en een paspoort) volgens het Bureau Documenten hoogstwaarschijnlijk niet echt zijn. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser alleen sociaal-economische motieven naar voren heeft gebracht zodat er geen aanleiding bestaat om aan hem een asielvergunning te verlenen. Wel heeft verweerder aan eiser voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw tot 22 februari 2026 of zoveel eerder als de ambtshalve beoordeling is afgerond.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte geen advies heeft ingewonnen bij het Bureau Medische Advisering (BMA). Verweerder heeft daardoor onvoldoende onderzocht of zijn medische problemen hem bij terugkeer blootstellen aan een reëel risico op ernstige schade. Het bestreden besluit is ook innerlijk tegenstrijdig omdat verweerder aankondigt dat er later alsnog een BMA-onderzoek zal plaatsvinden. Door de medische en sociaal-economische omstandigheden niet op geloofwaardigheid te toetsen, heeft er geen volledige beoordeling plaatsgevonden. Eiser beroept zich hierbij op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili, en op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak CK.
4. Verweerder heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit juist is. De door eiser aangevoerde omstandigheden kunnen niet worden geschaard onder vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade. Verder heeft verweerder meegedeeld dat de ambtshalve beoordeling om uitstel van vertrek heeft geresulteerd in een afwijzende beschikking van 27 november 2025 waartegen bezwaar is gemaakt. Het BMA heeft voorafgaand hieraan gerapporteerd dat in het geval van eiser geen medische noodsituatie op korte termijn voorzienbaar is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het bestreden besluit is aan eiser geen terugkeerplicht opgelegd. Het ligt dan ook niet ter toetsing voor in welke situatie hij bij terugkeer terecht zou komen. Daarom kan eiser zich niet beroepen op het Paposhvili-arrest. Hij kan zich ook niet beroepen op het CK-arrest omdat in deze zaak de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) niet van toepassing is.
6. Volgens het Vluchtelingenverdrag 1951 is sprake van vluchtelingschap bij een gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of een politieke overtuiging. Verweerder heeft terecht overwogen dat uit eisers relaas hiervan niet is gebleken.
7. Een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan ook aanleiding geven tot het verlenen van een asielvergunning. Het EHRM heeft in het arrest van 18 december 2014 in de zaak M’bodj geoordeeld dat medische omstandigheden niet onder deze definitie vallen. Verweerder heeft dan ook terecht - zonder een voorafgaand BMA-advies te hoeven opvragen - overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. Van een onvolledig of onvoldoende zorgvuldig voorbereid besluit is geen sprake. Dat verweerder heeft aangekondigd dat er in het kader van de beoordeling van de vraag of verder uitstel van vertrek is aangewezen wel een BMA-advies zal worden opgevraagd, getuigt niet van innerlijke tegenstrijdigheid.
8. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.