RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11825
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 18 maart 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2024 waarin verweerder heeft bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Op 18 november 2025 heeft verweerder het voornemen geuit om het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 te vervangen voor een nieuw terugkeerbesluit.
Verzoeker heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak - met toepassing van artikel 8:75 van de Awb - in de proceskosten veroordelen.
2. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is van ‘tegemoetkomen’ in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat binnen de grenzen van het geding valt, heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit vanwege nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel vanwege pas in beroep verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende, informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
3. De rechtbank is van oordeel dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb in dit geval geen sprake is. Vooropgesteld wordt dat verweerder na 18 maart 2024 geen nieuw terugkeerbesluit heeft genomen maar slechts het voornemen heeft geuit om een nieuw terugkeerbesluit aan verzoeker op te leggen. Bovendien heeft verzoeker het beroep, voordat dit nieuwe besluit is genomen door verweerder, ingetrokken zodat aan een inhoudelijke beoordeling hiervan verder niet wordt toegekomen. In die omstandigheden is naar vaste jurisprudentie geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.
4. Het verzoek van verzoeker dient gelet op het voorgaande te worden afgewezen. Dat betekent dat verzoeker en zijn gemachtigde voor dit ingetrokken beroep geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.