RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , V-nummer: [V-nummer 1] , opposant
opposanten
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.41549 en NL25.41551 V
[opposante] , V-nummer: [V-nummer 2] , opposante
hierna gezamenlijk te noemen: opposanten
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 september 2025 in het geding tussen
en
(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 28 augustus 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van opposanten niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 24 september 2025 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.
Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Omdat opposanten hebben verzocht op een zitting te worden gehoord, is de zaak aan de orde gesteld op de zitting van 28 januari 2026 in Breda. Opposanten zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of de rechtbank in de beroepsprocedure terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van de beroepsprocedure. Dit betekent dat de beoordeling beperkt is tot de vraag of in de beroepszaak terecht uitspraak is gedaan zonder opposanten op zitting te horen.
2. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Frankrijk.
3. Opposanten voeren in verzet aan dat uit het AIDA-rapport (update 2024) blijkt dat in Frankrijk zodanige tekortkomingen bestaan dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarnaast wijzen zij erop dat de e-mails van een echtpaar dat recent aan Frankrijk is overgedragen ten onrechte niet relevant zijn geacht. Uit deze e-mails blijkt dat Dublinclaimanten daar geen adequate opvang of rechtsbescherming krijgen. Verder betogen opposanten dat Dublin-zaken ten onrechte structureel zonder zitting worden afgedaan en dat in de uitspraak een onjuiste rechtsmiddelenclausule is opgenomen, omdat daarin ten onrechte is vermeld dat hoger beroep openstond in plaats van verzet.
4. De rechtbank is van oordeel dat wat opposanten hebben aangevoerd niet maakt dat in de beroepsprocedure ten onrechte is geconcludeerd dat het beroep kennelijk ongegrond is. De verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) en de overgelegde e-mails van een ander echtpaar zijn door de rechtbank reeds betrokken bij de beoordeling van het beroep. Deze informatie is dus niet nieuw en kon de uitkomst niet wijzigen. Dat eiser het niet eens is met die beoordeling, maakt dit niet anders. Artikel 8:54 van de Awb biedt de rechtbank de bevoegdheid om zonder zitting uitspraak te doen indien buiten redelijke twijfel vaststaat dat het beroep ongegrond is. In verzet oordeelt de rechtbank dat zij terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de zaak buiten zitting af te doen. Dat in de uitspraak in de beroepszaak een onjuiste rechtsmiddelenclausule was opgenomen, maakt dit niet anders. Het rechtsmiddel is met toepassing van artikel 6:15 Awb aangemerkt als verzet en vervolgens is dat verzet beoordeeld.
5. In wat opposanten hebben aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 24 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 25 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.