ECLI:NL:RBDHA:2026:3976

ECLI:NL:RBDHA:2026:3976

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 24_9416
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bij het opleggen van de naheffingsaanslag Bpm is uitgegaan van een te lage historische nieuwprijs. Dat een hogere historische nieuwprijs vergezeld gaat van een hogere handelsinkoopwaarde is door verweerder niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag. Beroep gegrond.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 24/9416

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 19 november 2021 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 juni 2022 het bezwaar tegen de naheffingsaanslag wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Ter zake van het beroep, dat door de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SGR 22/4018, is € 184 griffierecht geheven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2023. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 oktober 2023 ongegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen € 50 aan griffierecht aan eiser te vergoeden.

Eiser heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 28 oktober 2024 geoordeeld dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens het gerechtshof had een op 13 december 2021 door verweerder ontvangen brief als bezwaar moeten worden aangemerkt. Het gerechtshof heeft de uitspraak van de rechtbank in zaak SGR 22/4018 vernietigd en de zaak ter nadere behandeling en beslissing teruggewezen naar de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep geregistreerd onder zaaknummer SGR 24/9416. Er is niet opnieuw griffierecht geheven.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 30 december 2025 een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026.

Namens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 12 januari 2021 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Audi Q5 (de auto). In de aangifte is bij het onderdeel “RDW: aanvraag kenteken” aangevinkt dat eiser het kenteken voor zichzelf heeft aangevraagd.

2. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van A-Taks Auto-Taxaties & Expertise (de taxateur). De taxateur heeft de huidige inkoopwaarde van de auto aan de hand van de prijzen van referentievoertuigen en waardevermindering wegens schade, vastgesteld op € 13.596. Het grootste deel van de door de taxateur berekende schade ziet op de vervanging van het motorblok van de auto.

3. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 13.596. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 3.449 en is op aangifte voldaan. De aangegeven uitstoot van de auto bedraagt 195 gram per kilometer.

4. Op 22 januari 2021 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. Door DRZ is de verschuldigde Bpm berekend op € 10.464. Daarbij is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 112.362 en is de huidige inkoopwaarde van de auto aan de hand van de Xray koerslijst bepaald op € 44.723. Het koerslijstvoertuig betreft een Audi Q5 met een uitstoot van 189 gram per kilometer Door DRZ is geen waardevermindering aanmerking genomen. In het rapport van DRZ is het volgende opgenomen:

“Voertuig is vanaf een autoambulance in onze taxatiestraat gerolt zonder draaiende motor. Motorblok ziet er puntgaaf uit en wij zagen geen kenmerken van schade of los zittende delen. Ook zagen wij een toename van de kilometerstand:

24.413km (RDW + taxatierapport)

24.488km (schouw Bleiswijk)

Dit is een kilometertoename van 75km.

Op basis van de kilometertoename is de schade van de motor afgewezen.”

5. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is het bedrag aan te betalen Bpm vastgesteld op € 10.210. Daarbij is uitgegaan van de forfaitaire tabel, omdat die gunstiger is voor eiser dan berekening op basis van de waardebepaling door DRZ. De nageheven Bpm bedraagt € 6.761 (€ 10.210 -/- € 3.449).

Geschil

6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.

7. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Daartoe voert eiser aan dat hij ten onrechte als belastingplichtig is aangemerkt. Indien hij terecht als belastingplichtige is aangemerkt, stelt eiser dat de aangifte moeten worden gevolgd. Subsidiair stelt eiser dat moeten worden uitgaan van een historische nieuwprijs van € 115.211 in plaats van € 112.362.

8. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

9. Eiser heeft gesteld, eerst in zijn nadere stuk van 30 december 2025, dat hij niet belastingplichtig is omdat hij niet degene is die de auto ter inschrijving bij de RDW heeft aangeboden. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Dat iemand anders de auto heeft aangeboden strookt niet met de eigen aangifte van eiser. Daarbij is deze stelling niet met stukken onderbouwd. Er bestond voor verweerder dan ook geen aanleiding om hieromtrent navraag bij de RDW te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser terecht als belastingplichtige aangemerkt.

10. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet staat ingeschreven in enig erkend register, dat hij niet onafhankelijk en niet onpartijdig is, en dat hij niet beschikt over de vereiste kwalificaties en professionele competenties. Verweerder had zich volgens eiser moeten wenden tot een onafhankelijk expert. Omdat hij dit heeft nagelaten heeft hij onzorgvuldig en met vooringenomenheid gehandeld. Eiser stelt dat verweerder aldus misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot naheffing.

11. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat deze bepaling alleen betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van DRZ als (her)taxateur te twijfelen. Nu eiser zijn stelling van vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden verder niet dan wel onvoldoende heeft geconcretiseerd, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

12. De bewijslast dat de waardevermindering door schade in de door eiser gestelde omvang in mindering komt bij de waardebepaling van een auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door DRZ is onderkend.

De in het taxatierapport opgenomen schade aan de motor strookt niet met de bevindingen van DRZ en wordt niet ondersteund door reparatiefacturen of een eigen aankoopprijs.

De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de kwalificatie door DRZ van de beschadigingen van het lakwerk als normale gebruikssporen Dat, zoals eiser stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en verdergaande schade en dat de beoordeling door DRZ daarvan afwijkt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat volgens eiser binnen de branche zou zijn ontwikkeld.

13. De historische nieuwprijs van de auto moet worden vastgesteld uitgaande van de voor de auto zelf geldende netto catalogusprijs, de btw daarover en de bruto Bpm. Eiser heeft dan ook terecht aangevoerd dat verweerder bij het bepalen van de historische nieuwprijs ten onrechte is uitgegaan van de bruto Bpm van een voertuig met een uitstoot van 189 gram per kilometer in plaats van 195 gram per kilometer. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de historische nieuwprijs van de auto € 115.211 bedraagt.

14. Dat een hogere historische nieuwprijs vergezeld gaat van een hogere handelsinkoopwaarde, is door verweerder niet aannemelijk gemaakt. Uitgaande van een bedrag een bruto Bpm van € 26.290, een historische nieuwprijs van € 115.211 en een handelsinkoopwaarde van € 44.723 bedraagt de verschuldigde Bpm € 10.205, hetgeen betekent dat de naheffingsaanslag € 5 te hoog is vastgesteld. De rechtbank zal de naheffingsaanslag daarom verminderen tot € 6.756.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

16. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. In zaken als deze, waarbij sprake is van een terugwijzing door het gerechtshof, wordt daarbij het totale tijdsverloop van de bezwaar- en beroepsfase, dus de optelsom van de bezwaar- en beroepsfase vóór en na terugwijzing, in aanmerking genomen als de behandelduur van die fase. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting in eerste aanleg aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gedaan.

17. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 13 december 2021 ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 3 juni 2022. De rechtbank doet op 25 februari 2026 uitspraak, waarmee vier jaar en ruim drie maanden is verstreken. Hierop moet de fase van het hoger beroep, in dit geval (afgerond) dertien maanden, in mindering worden gebracht. De redelijke termijn is derhalve overschreden met een jaar en twee maanden (14 maanden). Eiser heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 (3 maal € 500). De termijnoverschrijding dient geheel te worden toegerekend aan de beroepsfase.

18. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht van € 184 te vergoeden, onder verrekening van het griffierecht dat naar aanleiding van uitspraak van de rechtbank in zaak SGR 22/4018 reeds is vergoed.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.134 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 18 september 2023, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 14 januari 2026 met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 6.756;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besteden besluit;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.134;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 134 (€ 184 -/- € 50 reeds vergoed griffierecht) aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand