RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 1] , eiser,
[naam 2] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44362 en NL25.44363
geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [v-nummer 1] ,
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [v-nummer 2] ,
beiden van Iraakse nationaliteit,
samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben beide op 17 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 10 september 2025 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend en aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd met de wettelijke vertrekplicht van vier weken.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen. De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld, de zitting gesloten en zal in deze uitspraak op de beide beroepen uitspraak doen.
Beoordeling door de rechtbank
Voorgeschiedenis
3. Op 15 juni 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf als familie- of gezinslid (bij zijn broer [naam 3] ). Bij besluit van 5 maart 2018 heeft de staatssecretaris (nu: de minister) deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzing staat in rechte vast.
Het asielrelaas
4. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers behoren tot de jezidi bevolkingsgroep en hebben tot aan de aanval van IS in augustus 2014 gewoond in Borek (provincie (Ninewa). Na de aanval van IS zijn eisers gevlucht naar het ontheemdenkamp Bajet Kandala (provincie Duhok) in de KAR. Eisers zijn gediscrimineerd vanwege hun jezidi afkomst en eiser heeft in 2020 een dreigbrief ontvangen. Ook hebben eisers problemen gehad vanwege uitingen van de in Nederland woonachtige nicht van eiser ( [naam 4] ). Eisers hebben Irak in augustus 2022 legaal verlaten.
De bestreden besluiten
5. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Discriminatie vanwege zijn jezidi achtergrond;
3. Het ontvangen van een dreigbrief;
4. Problemen vanwege uitingen van zijn nicht [naam 4] .
Het asielrelaas van eiseres bevat, afgezien van asielmotief 3, volgens de minister dezelfde asielmotieven.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig en acht ook geloofwaardig dat eisers zijn gediscrimineerd vanwege hun jezidi achtergrond.
De minister acht niet geloofwaardig dat eiser een dreigbrief heeft ontvangen en ook de gestelde problemen vanwege uitingen van eisers nicht [naam 4] acht de minister niet geloofwaardig.
De minister merkt voor eisers de KAR aan als normale woon- en verblijfplaats, omdat zij voorafgaand aan hun vertrek gedurende 8 jaar in het ontheemdenkamp Bajet Kandala hebben verbleven. De vrees voor discriminatie vanwege het jezidi zijn, is volgens de minister niet voldoende zwaarwegend. Een terugkeer naar het ontheemdenkamp Bajet Kandala leidt volgens de minister niet tot een schending van artikel 3 van het EVRM. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen moeten worden afgewezen als kennelijk ongegrond.
Is het onredelijk om het huidige beleid voor jezidi’s toe te passen?
6. Eisers wijzen erop dat zij de asielaanvragen op 13 mei 2023 hebben ingediend en voeren aan dat het beleid dat ten tijde van deze aanvragen gold, leidend zou moeten zijn voor de besluiten op de aanvraag. In het oude beleid werden jezidi’s aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep. Volgens eisers zijn zij door het forse tijdsverloop in een slechtere positie gebracht.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van deze zittingsplaats van 4 februari 2025. In beginsel moet worden uitgegaan van het op het moment van het nemen van het besluit geldende recht. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank ziet in het tijdsverloop tussen de aanvragen en de bestreden besluiten geen bijzondere omstandigheid om van dit uitgangspunt af te wijken. Niet gebleken is dat de beslissingen zijn uitgesteld vanwege het voornemen om de rechten van eisers te frustreren. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten om op basis van algemene beginselen van behoorlijk bestuur de minister op te dragen oud beleid toe te passen. Het ten tijde van de aanvragen geldende beleid betekende ook niet per definitie dat een vergunning zou worden verleend.
Heeft de minister het ontvangen van een dreigbrief ongeloofwaardig mogen achten?
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij een dreigbrief heeft ontvangen. In het voornemen is er volgens hem ten onrechte van uit gegaan dat eisers moeder was overleden in plaats van zijn oma en is vanwege deze onjuiste aanname dit asielmotief ongeloofwaardig geacht. Nu de minister het ongeloofwaardig achten van dit asielmotief volledig heeft gebaseerd op deze onjuiste aanname en er alleen ten overvloede een aantal overwegingen zijn toegevoegd, heeft de minister het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Verder acht eiser het verschoonbaar dat hij zich niet binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld om een asielverzoek te doen. Eiser had zijn familie lange tijd niet gezien en heeft eerst bij hen verbleven. Daarbij komt dat de minister pas 780 dagen na zijn aanvraag een voornemen heeft uitgebracht. Onder die omstandigheden kan de minister eiser niet tegenwerpen dat hij 6 dagen te laat zou zijn geweest met het doen van zijn asielaanvraag. Dit staat volgens eiser in geen enkele verhouding.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft van belang mogen achten dat eisers afwijkende verklaringen hebben afgelegd over de inhoud van de brief. Ook heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat de enkele omstandigheid dat iemand zijn naam en een kruis op een brief zou hebben geschreven, nog niet betekent dat dit een dreigement is. Daarnaast heeft eiser na het ontvangen van de brief nog twee jaar zonder problemen in Irak gewoond. Ook de oom bij wiens huis de brief zou zijn afgeleverd, heeft geen problemen meer ondervonden na het ontvangen van de brief. De minister heeft verder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft het niet verschoonbaar hoeven achten dat eiser zes dagen heeft gewacht met het doen van zijn asielaanvraag om eerst naar familie te gaan en uit te rusten. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is dat de procedure zo lang heeft geduurd, maar dit doet hier niet aan af. Tot slot heeft de minister mogen meewegen dat eiser in een eerdere procedure die betrekking had op een verzoek tot gezinshereniging, onjuiste informatie heeft verstrekt. Gelet op het voorgaande heeft de minister ongeloofwaardig mogen achten dat eiser een dreigbrief heeft ontvangen.
Heeft de minister de problemen vanwege de uitingen van eisers nicht [naam 4] ongeloofwaardig mogen achten?
8. Eisers voeren aan dat eiser en Dalal dezelfde grootvader hebben en dat het feit dat zij zijn nicht is, relevant is voor de problemen die zij hebben ondervonden. Zij hebben gewezen op een door de nicht overgelegde verklaring van 13 maart 2025.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat eisers nicht dreigementen ontvangt, niet bewijst dat deze dreigementen afkomstig zijn uit Irak, noch dat zijn nicht en haar familieleden feitelijk te vrezen hebben voor hun leven als zij in Irak zijn. Daar heeft de minister bij mogen betrekken dat eisers nicht in 2021 en 2024 zonder problemen naar Irak is gereisd. De minister heeft hieruit kunnen concluderen dat het niet aannemelijk is dat eiser als neef van [naam 4] een groter gevaar loopt dan zijzelf. Ook heeft de minister eisers kunnen tegenwerpen dat zij afwijkende verklaringen hebben gegeven over het stopzetten van de hulp in het ontheemdenkamp. Tot slot heeft de minister aan de brief van eisers nicht niet de waarde hoeven toekennen die eiser daaraan gehecht wil zien, nu zij niet beschouwd kan worden als een objectieve bron. De minister heeft eisers ook in het kader van het ongeloofwaardig achten van de problemen vanwege uitingen van eisers nicht mogen tegenwerpen dat ze hun asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk na binnenkomst in Nederland hebben ingediend en dat eiser in een eerdere procedure die betrekking had op een verzoek tot gezinshereniging, onjuiste informatie heeft verstrekt.
Komen eisers vanwege hun jezidi-afkomst voor een asielvergunning in aanmerking?
9. Eisers wijzen wat betreft de situatie van jezidi’s op een rapport van Yazda. Jezidi’s hebben te maken met ernstige discriminatie. De minister heeft de KAR ten onrechte als normale woon- en verblijfplaats voor hen aangemerkt.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ontheemdenkamp in de KAR kan worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. De rechtbank verwijst daartoe naar haar uitspraken van onder meer 27 februari 2025, 8 juli 2025, 18 augustus 2025 en 24 november 2025 en maakt de rechtsoverwegingen 11.2 tot en met 11.7 in de uitspraak van 24 november 2025 in deze uitspraak tot de hare.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of om zelf in de zaken te voorzien. De minister zal op de beide aanvragen nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.