[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van eiser tegen de bestreden besluiten van 8 mei 2025 en 25 augustus 2025, waarin blijkt dat eiser een eigen bijdrage aan het COa moet betalen.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat eiser te laat beroep heeft ingesteld en daar geen verschoonbare reden voor heeft gegeven. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gelezen in samenhang met artikel 6:8 van de Awb, moet een beroepschrift worden ingediend binnen vier weken nadat een besluit is bekendgemaakt.
Heeft eiser de beroepen tijdig ingesteld?
4. De bestreden besluiten zijn op respectievelijk 8 mei 2025 en op 25 augustus 2025 aan eiser bekendgemaakt. Eiser heeft pas op 9 juli 2025 respectievelijk 6 oktober 2025 beroep ingesteld. Dat is meer dan vier weken na de bestreden besluiten. Op 2 september 2025 heeft eiser in zijn eerste beroep aan de rechtbank laten weten dat het te laat indienen van zijn beroep verband hield met zijn mentale gesteldheid. Hierdoor was eiser het begrip ‘tijd’ vergeten. Ook heeft eiser geen computer en kost het hem moeite om te printen en een bestand te verzenden. Het betoog van eiser over zijn mentale gesteldheid is niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen verschoonbare reden voor het te laat indienen van het beroep. Het enkele betoog van eiser dat hij geen computer heeft en dat het moeite kost om te printen is ook onvoldoende om een verschoonbare reden aan te nemen voor het te laat indienen van het beroep. Daarom is niet gebleken dat eiser verschoonbaar te laat beroep heeft ingesteld. In het tweede beroep heeft de rechtbank eiser verzocht om een reactie op het te laat ingediende beroepschrift, maar hier heeft eiser niet op gereageerd. Ook in die zaak is dus niet gebleken dat eiser verschoonbaar te laat beroep heeft ingesteld.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.