RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres
[naam]
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60162
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: M.B. van den Toorn-Volkers),
mede namens haar minderjarige kind:
V-nummer: [nummer]
en
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij ongeloofwaardig heeft geacht dat de ex-partner van eiseres voor de CICPC werkte. De minister heeft ook niet voldoende gemotiveerd waarom de vrees van eiseres voor haar ex-partner, mede gelet op de artikelen 61 en 3 van het Verdrag van Istanbul, niet aannemelijk is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft op 11 juli 2023 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 4 december 2025 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
5. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres had in Venezuela een relatie met een man, van wie zij zwanger is geraakt. Toen zij de relatie in december 2022 wilde beëindigen, heeft hij haar een week opgesloten in zijn appartement. Toen hij erachter kwam dat eiseres zwanger was, wilde hij dat zij de zwangerschap zou beëindigen en hij heeft haar daarvoor geld gegeven. De man heeft eiseres geslagen en met de dood bedreigd. Eiseres is daarom in januari 2023 vanuit [plaats] naar [plaats] vertrokken. Eiseres heeft Venezuela in juli 2023 verlaten, nadat zij van haar moeder hoorde dat de man haar had gebeld en haar met de dood had bedreigd. Eiseres heeft de man sinds januari 2023 zelf niet meer gezien of iets van hem gehoord. Eiseres stelt dat haar moeder een huisbezoek van twee mannen heeft gehad en anonieme telefoontjes heeft gekregen. Eiseres vermoedt dat de man daarachter zit. Eiseres stelt dat de man werkt voor de CICPC, waardoor hij haar altijd zou kunnen opsporen in Venezuela en zij geen bescherming kan krijgen van de politie. Eiseres vreest bij terugkeer naar Venezuela door de man te worden vermoord. Verder heeft eiseres een islamitische geloofsovertuiging en is zij daardoor gepest en lastiggevallen.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met de ex-partner;
3. Problemen naar aanleiding van de islamitische geloofsovertuiging.
De minister vindt de asielmotieven 1 en 3, de identiteit, nationaliteit en herkomst en de problemen naar aanleiding van de islamitische geloofsovertuiging, geloofwaardig.
De minister vindt asielmotief 2, problemen met de ex-partner, gedeeltelijk geloofwaardig.
De minister heeft geloofwaardig geacht dat eiseres voor ongeveer zeven maanden een affaire had met de, door de minister aangeduide, ex-partner, dat haar ex-partner haar een week heeft opgesloten toen zij probeerde de relatie te beëindigen en dat hij haar heeft geslagen en met de dood heeft bedreigd toen zij aangaf dat zij zwanger van hem was. De minister heeft ook geloofwaardig geacht dat de ex-partner tijdens een ruzie zijn wapen op eiseres heeft gericht, dat hij haar heeft gedwongen om ontslag te nemen en dat hij haar geld heeft gegeven voor een abortus. Verder heeft de minister geloofwaardig geacht dat eiseres daarna in januari 2023 is gevlucht naar [plaats] en dat de ex-partner de moeder van eiseres vervolgens in juni 2023 heeft gebeld en in dat telefoongesprek eiseres met de dood heeft bedreigd.
De minister vindt niet geloofwaardig dat de ex-partner bij de CICPC zou werken. Eiseres heeft daarover alleen verklaard dat haar ex-partner een wapen droeg en dat hij een werkpasje had. Dat vindt de minister te weinig. Van eiseres mag volgens de minister verwacht worden dat zij uitgebreider en gedetailleerder over de gestelde werkzaamheden van de ex-partner en de daaruit volgende dreiging kan verklaren, omdat zij ongeveer zeven maanden een relatie met hem heeft gehad.
De minister wijst de aanvraag van eiseres na beoordeling van de geloofwaardig bevonden asielmotieven af. Volgens de minister heeft eiseres haar vrees om bij terugkeer te worden vermoord door haar ex-partner niet aannemelijk gemaakt. Volgens de minister is er slechts sprake van een vermoeden van eiseres dat het huisbezoek bij haar moeder te maken had met haar ex-partner en dat geldt ook voor het telefoontje van de politie aan haar moeder en de anonieme nummers die haar moeder bellen. Bovendien is haar moeder sinds het huisbezoek in september 2023 niet meer thuis opgezocht en heeft eiseres zelf van januari 2023 tot en met juni 2023 zonder problemen in [plaats] gewoond.
De ongeloofwaardig gevonden werkzaamheden van de ex-partner (asielmotief 2)
7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht dat de man, met wie zij ongeveer zeven maanden een verhouding heeft gehad, voor de CICPC werkt. De minister heeft daarbij ten onrechte aangenomen dat sprake was van een serieuze relatie en dat eiseres daarom meer over hem zou moeten weten.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de verklaringen van eiseres over de aard van de relatie en het gedrag van de man niet op juiste wijze bij de beoordeling betrokken. Uit het nader gehoor kan duidelijk worden opgemaakt dat eiseres heeft verklaard dat het geen serieuze relatie, maar een relatie ‘zonder compromis’ was, die maar zeven maanden duurde, dat zij niet samenwoonden en dat later bleek dat de man al getrouwd was. De minister is naar het oordeel van de rechtbank dan ook uitgegaan van een onjuiste vooronderstelling. Eiseres en de man zijn geen partners zoals door de minister is aangenomen: ze hadden slechts een verhouding van ongeveer zeven maanden, waarbij de man zich bovendien controlerend en obsessief gedroeg en gewelddadig werd toen eiseres aangaf zwanger te zijn en zij erachter kwam dat hij al getrouwd was. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting bovendien met juistheid gewezen op wat eiseres in het gehoor heeft verklaard over wat zij over het werk aan de man had gevraagd en wat eiseres hierover wist, namelijk dat zij een wapen en een pasje heeft gezien maar geen uniform, dat de man het niet leuk vond om over zijn werk te praten en dat hij de weinige keren dat eiseres er naar vroeg, haar toeriep waarom zij dat aan hem vroeg. Ook heeft eiseres diverse verklaringen afgelegd over het gedrag van de man, bijvoorbeeld dat hij jaloers, gewelddadig en controlerend begon te worden nadat hij eiseres na haar werk met collega’s zag en dat er in het begin aantijgingen en bedreigingen waren en dat hij haar hard vastpakte, ook bij haar keel.
De rechtbank is, gezien de hierboven gegeven omstandigheden, van oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiseres verwacht mag worden dat zij meer had kunnen verklaren en meer concrete informatie had kunnen geven over de werkzaamheden van de man bij CICPC.
8. Het beroep is al daarom gegrond.
Artikel 3 van het EVRM en de artikelen 61 en 3 van het Verdrag van Istanbul
9. De beroepsgrond van eiseres dat de minister haar vrees voor de man bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt, slaagt ook. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank overweegt eerst dat eiseres, gelet op de door de minister geloofwaardig gevonden verklaringen, slachtoffer is geweest van geweld als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag van Istanbul. In artikel 61 van het Verdrag van Istanbul is expliciet vastgelegd dat het beginsel van non-refoulement moet worden geëerbiedigd in overeenstemming met bestaande verplichtingen uit hoofde van het internationale recht en maatregelen moet worden genomen om te waarborgen dat slachtoffers van geweld tegen vrouwen die bescherming nodig hebben onder geen enkele omstandigheid worden teruggezonden naar een land waar hun leven gevaar zou lopen of waar zij onderworpen zouden kunnen worden aan marteling of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
De door de minister geloofwaardig gevonden verklaringen zijn in dit verband naar het oordeel van de rechtbank zeer zorgelijk te noemen. De minister heeft immers geloofwaardig geacht dat de man eiseres een week heeft opgesloten toen zij probeerde de verhouding te beëindigen, dat hij haar heeft geslagen en haar met de dood heeft bedreigd toen zij aangaf dat zij zwanger van hem was. De minister heeft ook geloofwaardig geacht dat de man tijdens een ruzie zijn wapen op eiseres heeft gericht, dat hij haar heeft gedwongen om ontslag te nemen en dat hij haar geld heeft gegeven voor een abortus. Verder heeft de minister geloofwaardig geacht dat eiseres daarna is gevlucht naar [plaats], dat de man de moeder van eiseres in juni 2023 heeft gebeld en in dat telefoongesprek eiseres met de dood heeft bedreigd.
De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting in dit verband ook gewezen op andere verklaringen van eiseres, waaruit kan worden afgeleid dat de man gewelddadig en controlerend begon te worden nadat hij eiseres na haar werk met collega’s zag en dat hij haar hard vastpakte, ook bij haar keel.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de motivering van de minister dat de vrees van eiseres voor de man niet aannemelijk is, omdat zij van januari 2023 tot aan het telefoontje van de man aan haar moeder in juni 2023 zonder problemen in [plaats] heeft gewoond, niet deugdelijk is. De minister heeft immers geloofwaardig gevonden dat de man na deze periode contact opnam met de moeder van eiseres en eiseres in dat telefoongesprek met de dood heeft bedreigd. Verder komt uit de motivering van de minister niet kenbaar naar voren in hoeverre in dit verband de omstandigheid dat eiseres zwanger was geraakt van de man en de mate van de ernst van het geloofwaardig geachte geweld is betrokken en meegewogen bij de beoordeling van de gestelde vrees bij terugkeer. De motivering van de minister dat de vrees niet aannemelijk gemaakt is, omdat sprake is van vermoedens van eiseres dat het huisbezoek bij haar moeder, de telefoontjes van de politie en de anonieme nummers die haar moeder bellen in verband staan met haar ex-partner, is daarom onvoldoende.
Artikel 3 van het EVRM en de gestelde artikel 15c-situatie
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de huidige politieke situatie in Venezuela chaotisch en onbestendig is. Volgens eiseres is sprake van een evidente 15c-situatie, waarbij iedere burger slachtoffer kan worden van bombardementen en beschietingen.
11. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op de zitting op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet uit openbare bronnen is gebleken dat op dit moment in Venezuela sprake is van een internationaal of grootschalig binnenlands gewapend conflict. De aanvallen van de autoriteiten van de Verenigde Staten op Venezuela, waarbij Nicolas Maduro is gearresteerd, betroffen een eenmalige actie die met name gericht was op specifieke (militaire) doelen. De enkele, niet onderbouwde stelling van eiseres dat zij door de recente gebeurtenissen in Venezuela bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade, leidt niet tot een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de zaak terugwijzen naar de minister.
13. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen. De minister zal daarbij het onderdeel van asielmotief 2 over de gestelde werkzaamheden van de man bij de CICPC opnieuw moeten beoordelen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen en daarom een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling moeten verrichten. Ook zal de minister, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, opnieuw moeten beoordelen of de gestelde vrees voor de man bij terugkeer aannemelijk is gemaakt en zal ook de gestelde 15c-situatie ten tijde van het nemen van het besluit moeten worden beoordeeld.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 december 2025;
- draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.