RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7485
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
Procesverloop
De minister heeft op 14 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 30 januari 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft vooronderzoek op 17 februari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 27 januari 2026) rechtmatig is.
Bestaat redelijk vooruitzicht op verwijdering en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. De door de minister verrichte uitzettingshandelingen, namelijk het sturen van schriftelijke rappels en het voeren van vertrekgesprekken, zijn gezien het tijdsverloop onvoldoende om te kunnen spreken van voortvarend handelen.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Eiser zit sinds 14 januari 2026 in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 en de minister is pas vanaf dan gehouden om te werken aan zijn uitzetting. Er is op 23 januari 2026 een laissez-passer aanvraag verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. De minister heeft op 29 januari 2026 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Hiermee heeft de minister in principe voldaan aan zijn verplichting om maandelijks uitzettingshandelingen te verrichten. Hierbij is ook van belang dat er een vertrekgesprek gepland stond op 6 februari 2026, maar deze geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiser in een isoleercel geplaatst was vanwege fysiek geweld en het niet opvolgen van aanwijzingen van het personeel. Daarnaast wijst de rechtbank er op dat de beroepsgrond over het ontbreken van redelijk vooruitzicht op verwijdering al eerder is beoordeeld in de uitspraak van 30 januari 2026, onder 2.1. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht dit oordeel anders maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft onderbouwd waarom er een lichter middel opgelegd zou moeten worden, zodat reeds hierom de beroepsgrond niet slaagt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.