RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6238
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
De minister heeft op 20 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 5 januari 2026. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 30 januari 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 27 januari 2026) rechtmatig is.
Had de minister de schriftelijke rappels moeten toevoegen aan het dossier?
3. Eiser betoogt dat de minister de schriftelijke rappels had moeten toevoegen aan het dossier. Eiser wijst hierbij op het arrest Multan waarin is overwogen dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging het recht omvat van openbaarmaking van voor de verdediging relevante documenten. Daarnaast wijst eiser op het arrest Landkreis Gifhorn waaruit volgt dat de inspanningsplicht van de minister een op het individu gericht handelen vergt. Het sturen van een algemeen bericht aan de ambassade in de vorm van een rappel getuigt niet van een dergelijke op het individu gerichte inspanning.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het voortgangsrapport van 5 februari 2026 blijkt dat de rappels zijn verstuurd aan de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet geen reden om aan dit overzicht van de schriftelijke rappels te twijfelen. Het beroep op het arrest Multan treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, aangezien dit arrest gaat over geheimhouding van stukken. Dit is in deze zaak niet aan de orde. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het versturen van rappels een voldoende op het individu gericht handelen betreft en op dit moment voldoende is voor het oordeel dat de minister voortvarend handelt.
Is de maximale bewaringstermijn overschreden?
4. Eiser betoogt dat hij in 2017 al een periode van zes maanden in bewaring heeft gezeten. Uit de conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak Aroja volgt dat eerdere perioden van bewaring meetellen voor de berekening van de maximale termijn.
De rechtbank stelt vast dat het Hof van Justitie in de zaak Aroja nog geen arrest heeft gewezen. Er bestaat slechts een conclusie van de Advocaat-Generaal waarin wordt aangegeven dat eerdere perioden van bewaring zouden moeten meetellen bij de berekening van de maximale termijn van inbewaringstelling. Nog daargelaten of het Hof de conclusie van de Advocaat-Generaal zal volgen, stelt de rechtbank vast dat de maximale termijn voor inbewaringstelling nog niet is overschreden. Eiser heeft in 2017 zes maanden in bewaring gezeten en zit op basis van onderhavige maatregel bijna drie maanden in bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.