RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8265
(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van dit beroep. Op 16 februari 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend.
Op 17 februari 2026 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eisers bewaring met ingang van die datum is opgeheven.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 februari 2026.
Overwegingen
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht opvreemdelingen heeft onttrokken; - 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; - 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; - 3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden vermeld dat eiser:- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser stelt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft. Ook zegt hij gegronde redenen te hebben om aan te voeren dat zijn terugkeer naar Bulgarije hem in de problemen zal brengen vanwege zijn seksuele geaardheid. Eisers gerechtvaardigd belang om derhalve in Nederland te blijven is door verweerder niet meegewogen. Verweerder heeft ten onrechte geen lichter middel toegepast. Detentie is voor eiser zwaar en onrechtvaardig.
5. De rechtbank stelt vast dat de gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn gemotiveerd. Wat eiser heeft aangevoerd, kan daar niet aan afdoen. De gronden onderbouwen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht en kunnen de maatregel dragen.
6. Verweerder heeft, gelet op de gronden, voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde onttrekkingsrisico te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. Verweerder heeft in de maatregel overwogen dat eiser in het detentiecentrum toegang heeft tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij, waaronder gespecialiseerde psychische zorg. De bezwaren die eiser heeft tegen zijn overdracht aan Bulgarije zien op de verblijfsrechtelijke procedure en niet op de vraag of met een lichter middel kan worden volstaan.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.