RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9203
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Verweerder heeft de rechtbank ter zitting geïnformeerd dat eiser op 26 februari 2026 wordt overgedragen aan Marokko.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
-3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser erkent de feitelijke juistheid van grond 3a, maar beroept zich op het tijdsverloop. Ten aanzien van grond 3b voert eiser aan dat het enkele feit dat hij zich in het verleden aan het toezicht heeft onttrokken aan eiser niet kan worden tegengeworpen omdat dit een handeling uit het verleden betreft. Grond 3c is onvoldoende om de zware maatregel te rechtvaardigen. Ten onrechte is niet volstaan met een lichter middel.
4. Ter zitting is door verweerder grond 3d laten vallen. De rechtbank stelt vast dat overige zware gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De zware gronden zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking, nu dat niet kan leiden tot een andere uitkomst.
5. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser zich eerder heeft onttrokken aan het toezicht.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.