RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8262
(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),
en
(gemachtigde: Mr. J.S.W.Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van dit beroep. Op 16 februari 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Op 17 februari 2026 heeft verweerder hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 23 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft op 26 februari 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister terecht vastgesteld dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. De minister heeft de maatregel dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Verder heeft de minister overwogen dat de maatregel noodzakelijk is, omdat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; - 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; - 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat hij bereid is mee te werken aan zijn vertrek uit Nederland. Ten onrechte wordt eiser verweten dat hij niet zijn juiste of tegenstrijdige personalia heeft opgegeven. Zware grond 3e wordt daarom ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd. Dat eisers asielaanvragen zijn afgewezen kan niet als zelfstandige basis dienen voor het opleggen van de maatregel van bewaring. De detentie valt eiser zwaar en hij dient op een afdeling te worden geplaatst voor bijzondere zorg. Ten onrechte is geen lichtere maatregel toegepast.
5. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a, 3b, 3f en 3k feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Het enkele feit dat eiser zegt bereid te zijn mee te werken aan zijn terugkeer laat onverlet dat eiser zich eerder op 18 december 2025 niet beschikbaar heeft gehouden voor zijn overdracht naar Duitsland. Bedoelde zware gronden zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking, nu dat niet kan leiden tot een andere uitkomst.
6. Verweerder voldoende gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel om het risico op onttrekking te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op het feit dat eiser zich eerder niet beschikbaar heeft gehouden voor de geplande overdracht aan Duitsland. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.