RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.1248 (beroep)
NL26.1249 (voorlopige voorziening)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.W. IJland)
en
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet kan worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 16 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder waren aanwezig. Eiser had zich afgemeld voor de zitting.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1992. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Turkije zeven jaar bij de narcoticabrigade heeft gewerkt. Hij kreeg problemen met deze brigade. Bij terugkeer vreest eiser te worden vermoord of in de gevangenis te belanden.
2. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende motieven:
Verweerder gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder gelooft echter niet dat eiser werkzaam is geweest voor de narcoticabrigade en dat hij problemen heeft ondervonden met zijn werkgever. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft. Hierom voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Eisers verklaringen over de gestelde werkzaamheden bij de narcoticabrigade vindt verweerder vaag, summier en ongerijmd. Ook vindt verweerder eisers verklaringen over zijn problemen met de narcoticabrigade ongerijmd. Bovendien is eiser meerdere malen teruggekeerd naar Turkije. Om deze redenen voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser voldoet hierom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft immers willens en wetens gebruik gemaakt van een vals Duits paspoort om via Schiphol uit te reizen naar Turkije. Eiser is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Ook heeft eiser eerder op frauduleuze wijze verblijfsrecht in Nederland aangevraagd. Om deze redenen voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw. Daarbij heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook heeft verweerder aan eiser een inreisverbod van twee jaar uitgevaardigd.
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. Eiser handhaaft alle stellingen die eerder in de procedure zijn ingenomen. Zo bevat de rechtsmiddelenclausule volgens eiser een gebrek. Eisers asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, maar in de rechtsmiddelenclausule staat vermeld dat de uitspraak op beroep in Nederland mag worden afgewacht. Volgens eiser klopt dit niet, omdat alleen de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag worden afgewacht.
4. De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verweerder heeft uitvoerig gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag heeft afgewezen. Eisers enkele verwijzing naar hetgeen hij eerder heeft aangevoerd in de procedure, kan daarmee niet worden aangemerkt als een beroepsgrond. Verder overweegt de rechtbank dat de enkele stelling van eiser dat de rechtsmiddelenclause een gebrek bevat, niet betekent dat het besluit van verweerder onjuist is. Deze stelling kan dan ook niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Bovendien is deze stelling van eiser onjuist. Uit artikel 82, eerste lid, van de Vw, in samenhang gelezen met artikel 82, tweede lid, onder c, van de Vw, volgt dat eiser de uitspraak op beroep in Nederland mag afwachten. Tot slot overweegt de rechtbank dat er verder geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiser bij terugkeer het risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft.
Er is geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026 door mr. L.M. Kos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.