RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.60234
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E. van der Meulen).
Inleiding
1. In deze uitspraak behandelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag.
Eiser stelt de Tanzaniaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op
[geboortedatum] 2005. Hij heeft op 26 oktober 2020 een eerste aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 juni 2021 afgewezen. In de uitspraak van 26 augustus 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Gelderland, geoordeeld dat de minister het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Op 4 februari 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 2 december 2025 (bestreden besluit) deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn eerste asielaanvraag ten grondslag dat hij in augustus 2020 door de politie is benaderd om te stemmen op de regeringspartij bij de verkiezingen in
Tanzania op 26 oktober 2020. Eiser heeft dat geweigerd. Vervolgens is eiser thuis door zes gewapende mannen aangevallen. Eiser kon ontsnappen en is vervolgens gevlucht.
Eiser heeft bij zijn opvolgende asielaanvraag nieuwe documenten ten grondslag gelegd om zijn eerdere asielrelaas te onderbouwen. Eiser stelt dat uit deze documenten blijkt dat de politie in Tanzania hem nog steeds zoekt. Het gaat ten eerste om vier foto’s van opsporingsbiljetten die over hem gaan, die hij op 25 januari 2025 van zijn vriend [naam] heeft ontvangen. Deze opsporingsbiljetten zijn door de politie opgehangen op de muur bij de haven van [plaats 1] , het vetrekpunt van veerboten naar [plaats 2] en [plaats 3] . Daarnaast heeft eiser een exemplaar van de krant [krant] overgelegd, waarin een opsporingsbericht is gepubliceerd dat over hem gaat.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser in de eerste asielprocedure geloofwaardig geacht. Het asielmotief dat eiser in 2020 door de politie is benaderd om te stemmen op de regeringspartij en dat hij, toen hij dat weigerde, thuis is aangevallen, en dat de politie hem nog steeds zoekt, acht de minister niet geloofwaardig. De minister stelt zich op het standpunt dat de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas al in rechte vaststaat en dat de documenten die hij bij zijn opvolgende aanvraag heeft overlegd, niet tot een andere conclusie leiden. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is op artikel 30b, eerste lid, onder g, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat voert eiser aan?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende gewicht toekent aan de documenten die hij heeft ingebracht. De foto’s zijn volgens eiser authentiek. Het zijn de originele foto’s die zijn vriend heeft gemaakt en die aantonen dat er opsporingsbiljetten over eiser hangen. Daarbij wordt de inhoud van de opsporingsbiljetten bevestigd door het opsporingsbericht in de krant. Deze krant, de [krant] , is als document echt bevonden. Het opsporingsbericht ondersteunt de verklaringen van eiser dat de politie hem zoekt, er wordt verwezen naar een specifiek politiebureau en een specifiek kenmerk. Dat er geen logo in het opsporingsbericht staat, laat de minister volgens eiser ten onrechte zwaar wegen. De documenten tonen aan dat eiser geruime tijd na zijn problemen in 2020 nog steeds in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat en ondersteunen daarmee zijn asielmotief.
Eiser heeft in beroep nog vier documenten van de politie uit Tanzania overgelegd. Het betreft een politieoproepen van 2 november 2020, 6 juli 2021 en 20 augustus 2022, inhoudende dat eiser zich moet melden op het politiebureau in [plaats 1] , en een bevel tot aanhouding van zijn moeder van 29 maart 2025 om haar te dwingen mee te werken met de politie bij het opsporen van eiser. Eiser heeft toegelicht dat zijn vriend [naam] is afgereisd naar zijn moeder die nu in [plaats 4] woont en dat zij deze documenten aan hem heeft meegegeven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. In de uitspraak van 26 augustus 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister eisers asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank stelt voorop dat dit oordeel in rechte vaststaat. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de documenten die eiser thans heeft overgelegd, niet tot een andere conclusie leiden. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Opsporingsbiljetten
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de authenticiteit van de opsporingsbiljetten niet is vast te stellen, nu enkel foto’s van die opsporingsbiljetten beschikbaar zijn. Bovendien zijn de foto’s afkomstig van een vriend van eiser en daarmee niet van een objectieve bron. Reeds hierom heeft de minister aan de foto’s van de opsporingsbiljetten niet de waarde hoeven toe te kennen die eiser eraan toegekend wenst te zien.
[krant]
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het opsporingsbericht uit de [krant] ook onvoldoende is om tot een andere conclusie over eisers asielmotief te komen. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat het feit dat de overgelegde krant echt is, nog niet betekent dat het opsporingsbericht ook echt is en de inhoud daarvan klopt. De minister heeft er in dit verband op gewezen dat het bericht op een advertentiepagina staat en dat iedereen tegen betaling een advertentie kan laten plaatsen in deze krant. Bovendien is bij het opsporingsbericht geen logo van de politie opgenomen.
Politieoproepen en bevel tot aanhouding moeder
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de documenten die eiser in beroep heeft overgelegd evenmin tot een andere conclusie leiden. Eiser heeft geen bevredigende verklaring kunnen geven waarom deze documenten nu pas worden ingebracht, terwijl zijn moeder in het bezit was van deze documenten. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de inhoud van de documenten. Bovendien is niet duidelijk of de documenten zijn te relateren aan het asielrelaas van eiser. In het bevel tot aanhouding van eisers moeder is namelijk vermeld dat eiser wordt beschuldigd van verstoring van de openbare orde en het toebrengen van aanzienlijk schade aan overheidseigendommen. Verder heeft eiser niet opgehelderd hoe hij deze documenten van [naam] heeft gekregen. Eiser heeft in zijn gehoor verklaard dat hij met [naam] heeft gemaild,1 maar hij heeft de betreffende mailwisseling niet overgelegd.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
1. Zie het gehoor opvolgende asielaanvraag op pagina 8 en 12.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 februari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.