RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15807
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij brief van 20 februari 2024 (de bestreden brief) heeft verweerder eiser geïnformeerd over de gevolgen van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 voor zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De gemachtigde van eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat verweerder met de brief van 20 februari 2024 eiser heeft geïnformeerd dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming per 4 maart 2024 van rechtswege eindigt, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024. De bestreden brief is niet gericht op het doen ontstaan, wijzigen of beëindigen van rechtsgevolgen, maar bevat uitsluitend een mededeling over een rechtsgevolg dat rechtstreeks uit het toepasselijk recht voortvloeit.
2. Reeds op 16 april 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak geoordeeld dat een dergelijke brief een informatief karakter heeft en niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De bestreden brief is dan ook geen besluit waartegen beroep openstaat.
3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt doormiddel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.