RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57518
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en
(gemachtigde: mr. L. Maring).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2025 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 21 november 2025 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep, op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.