ECLI:NL:RBDHA:2026:4209

ECLI:NL:RBDHA:2026:4209

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 03-03-2026
Zaaknummer C/09/698086 / KG ZA 26-62
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kort geding, vordering tot ongedaanmaking opschorting raamovereenkomst wordt afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht de Staat de Raamovereenkomst onder de gegeven omstandigheden opchorten en was deze opschorting dus niet disproportioneel. Een minder ingrijpende maatregel waarmee de Staat kan en moet volstaan, ligt niet voor.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/09/698086 / KG ZA 26-62

Vonnis in kort geding van 26 februari 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V. te [plaats] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. J.A.M. van Heijningen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN DEFENSIE) te Den Haag,

gedaagde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaten: mr. A.L.M. de Graaf en mr. E.I. Dekkers.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de niet-betekende dagvaarding, met producties.

- de vrijwillige verschijning van de Staat;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de aanvullende producties van [eiseres] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026.

De advocaat van [eiseres] heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen (Mondelinge toelichting). Deze spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2. De feiten

Na het doorlopen van een Europese aanbestedingsprocedure hebben de Staat (het ministerie van Defensie) en [eiseres] in augustus 2024 de Raamovereenkomst ARVODI-2018 DEF inzake Figuranten Fysieke Veiligheid (hierna: de Raamovereenkomst) gesloten.

Kern van de dienstverlening die onder de Raamovereenkomst kan worden afgeroepen betreft het verzorgen van trainingen en oefeningen waarbij medewerkers van [eiseres] scenario's moeten nabootsen in het kader van opleiding en het uitvoeren van

oefeningen van Defensie. De werkzaamheden worden verricht voor drie Defensieonderdelen: het Commando der Landstrijdkrachten (CLAS), de Koninklijke Marechaussee (KMAR) en het Commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten (CLRS).

De Raamovereenkomst heeft een looptijd van vier jaar, met na twee jaar de mogelijkheid om de overeenkomst maandelijks op te zeggen.

In artikel 1.3 van de Raamovereenkomst staat:

Opdrachtgever is niet verplicht om gedurende de looptijd van deze Raamovereenkomst opdrachten tot het verrichten van Diensten te verstrekken, maar is daartoe gerechtigd. Opdrachtnemer kan derhalve generlei aanspraak maken op het verkrijgen van opdrachten tot het verrichten van Diensten gedurende de looptijd van deze Raamovereenkomst.

Onder de Raamovereenkomst is [eiseres] gehouden om figuranten te leveren voor trainingen en oefeningen. De oefeningen en trainingen kenmerken zich doordat figuranten wordt gevraagd tegenspel te leveren in oefeningen en trainingen waarin (extreme) geweldssituaties en calamiteiten worden nagebootst. Dat betekent concreet dat personeel van [eiseres] als onderdeel van de training direct fysiek contact heeft met Defensiepersoneel, waarbij het doel is dat stressvolle situaties worden gesimuleerd. Naast het leveren van figuranten dient [eiseres] ook actief mee te denken in het kader van oefendoelstellingen en daar haar rol op aan te passen en moet zij beschikbaar zijn voor evaluatie van die oefeningen.

In een vertrouwelijke rapportage van 3 december 2025 van de KMAR staat met betrekking tot [eiseres] het volgende:

Vanuit een lopend opsporingsonderzoek binnen de Koninklijke Marechaussee (hierna; KMar), uitgevoerd door Team Seksuele Misdrijven (...) van de Brigade Recherche, komt het beeld naar voren dat personeel binnen het bedrijf [eiseres] B.V. meermaals grensoverschrijdend is behandeld ten aanzien van hun lichamelijke integriteit.

(...)

Het doel van deze rapportage is om DOSCO te informeren over het lopende opsporingsonderzoek en de mogelijke risico’s voor defensiepersoneel.

(...)

Het opsporingsonderzoek is gestart naar aanleiding van meerdere aangiftes van aanranding, welke betrekking hebben op drie (3) verdachten (hierna; betrokkenen) die werkzaam zijn binnen het bedrijf [eiseres] B.V. De betrokkenen hebben alle drie een functie die een bepaald overwicht met zich meebrengt. Concreet betreft dit de [functie 1] , [functie 2] en de [functie 3] van het bedrijf.

(...)

De betrokkenen worden alle drie verdacht van aanranding ten aanzien van

personeel/medewerkers binnen het bedrijf [eiseres] B.V. Deze incidenten hebben zich voorgedaan binnen de context van het bedrijf en mogelijk zijn (soortgelijke) strafbare feiten ook op militair terrein dan wel tijdens een militaire oefening gepleegd.

Op dit moment is het onderzoek nog lopende. De betrokkenen worden op dit moment dus gezien als verdachten, echter zij zijn op 1 december ‘25 aangehouden, verhoord en weer in vrijheid gesteld. De betrokkenen hebben allen tot op heden ontkennend verklaard.

Op 5 december 2025 heeft de Staat aan [eiseres] meegedeeld dat zij voorlopig geen opdrachten meer mocht verrichten en dat de Raamovereenkomst tot en met maart 2026 wordt opgeschort.

In een uitgebreid gemotiveerde brief van 9 december 2025 hebben de strafrechtadvocaten van de als verdachte aangemerkte medewerkers van [eiseres] aan de KMar meegedeeld dat de medewerkers ervan overtuigd zijn dat de aangiftes zijn geïnitieerd door een rancuneuze ex-werknemer en dat er nooit sprake is geweest van aanranding van en door wie dan ook. In deze brief hebben de strafrechtadvocaten zich op het standpunt gesteld dat als er tijdens de bedrijfsfeesten van [eiseres] al sprake was van een losbandige sfeer, dit onderdeel was van de ‘bedrijfscultuur’ en dat er nooit sprake is geweest van enige vorm van dwang.

Bij brief van 11 december 2025 heeft [eiseres] tegen de opschorting van de Raamovereenkomst en intrekking van de nadere overeenkomsten door de Staat bezwaar gemaakt. Zij heeft zich hierbij onder meer op het standpunt gesteld dat partijen steeds naar volle tevredenheid heeft samengewerkt en dat zij voor haar bedrijfsvoering mede afhankelijk is van deze opdrachten. In deze brief heeft [eiseres] verder geschreven dat haar geen reden is gegeven voor de opschorting.

Bij brief van 15 december 2025 heeft (het Defensie Ondersteuningscommando (Dosco) namens) de Staat aan [eiseres] meegedeeld dat de KMar-rapportage de aanleiding is voor de opschorting. Hierbij heeft de Staat zich op het standpunt gesteld dat hij de maatregelen gelet op de aard en de ernst van de verdenkingen passend acht en dat de gevolgen voor rekening en risico van [eiseres] dienen te komen. In deze brief heeft de Staat verder meegedeeld dat zij in de komende periode voor het verzorgen van opleidingen en trainingen mogelijk een beroep zal doen op andere marktpartijen.

In een vertrouwelijke aanvullende rapportage van 26 januari 2026 van de KMar staat het volgende:

Door één aangever en één getuige wordt gesproken over een zelf waargenomen aanranding welke zou hebben plaatsgevonden tijdens een oefening van de Landelijke Bijstandsorganisatie van de Koninklijke Marechaussee in Weeze in 2023. De aanranding heeft volgens hen gedurende de oefening bij een figurant vanuit het bedrijf [eiseres] B.V. plaatsgevonden en zou zijn gepleegd door één van de verdachten uit het opsporingsonderzoek. Het vermeende slachtoffer en de als verdachte aangemerkte betrokkene hebben verklaard dat dit incident niet zou hebben plaatsgevonden.

Daarnaast is door één getuige verklaard dat hij had waargenomen dat er aanrandingen hebben plaatsgevonden tijdens een training voor een andere publieke organisatie in het veiligheidsdomein. Deze aanrandingen hebben naar verluid in de voorbereiding en in de uitvoering van de oefening plaatsgevonden bij figuranten van het bedrijf [eiseres] B.V. en zouden zijn gepleegd door één van de verdachten in het opsporingsonderzoek. Gedurende het verhoor heeft deze, als verdachte aangemerkte betrokkene, ontkennend over dit incident verklaard. Over dit incident is geen specifieke aangifte gedaan gedurende het onderzoek.

Bij brief van 26 januari 2026 heeft [eiseres] een met de Staat gepland gesprek afgezegd, omdat zij zich er niet in kon vinden dat het gesprek niet mede bestemd was om oplossingen te verkennen over de voortzetting van de samenwerking.

Ten tijde van de mondelinge behandeling was nog niet bekend wanneer wordt beslist over het al of niet vervolgen van de medewerkers van [eiseres] .

3. Het geschil

[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

I. de Staat te gebieden de opschorting van de Raamovereenkomst en de gevolgen daarvan met onmiddellijke ingang ongedaan te maken;

II. de Staat te gebieden, voor zover hij nadere opdrachten moet, dan wel wenst te verstrekken onder de Raamovereenkomst, deze aan [eiseres] te verstrekken;

een en ander op straffe van een dwangsom

III. de Staat te gebieden de ingetrokken en opgeschorte (niet verstrekte) opdrachten alsnog aan [eiseres] te verstrekken, zijnde de opdrachten zoals vermeld in productie 5 bij dagvaarding, althans indien de Staat aantoont de opdrachten niet meer aan [eiseres] te kunnen verstrekken, te betalen aan [eiseres] een bedrag van € 50.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op de schadevergoeding als gevolg van de gemiste opdrachten;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eiseres] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag.

Onder de Raamovereenkomst heeft [eiseres] steeds naar volle tevredenheid de nadere opdrachten uitgevoerd. De aangiftes zijn onjuist en onder valse voorwendselen gedaan. Er is geen reële kans op vervolging. Door ondanks de gemotiveerde uitleg van [eiseres] de reeds verstrekte opdrachten in te trekken en de verlening van nieuwe opdrachten op te schorten, handelt de Staat in strijd met de Raamovereenkomst. De intrekking en opschorting zijn disproportioneel en in strijd met het aanbestedingsrecht. De draconische maatregelen zijn bovendien in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het beginsel van Fair Play en het proportionaliteitsbeginsel. Aangezien [eiseres] door het staken van de opdrachtverlening afstevent op een faillissement, heeft zij bij haar vorderingen een spoedeisend belang.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In dit kort geding moet worden beoordeeld of de Staat verplicht is de opschorting van de Raamovereenkomst ongedaan te maken en of hij gehouden is eventuele nieuwe opdrachten aan [eiseres] te verstrekken.

Uit de KMar-rapportage van 3 december 2025 volgt dat de [functie 1] , [functie 2] en een [functie 3] van [eiseres] zijn aangehouden op verdenking van aanranding. Naar aanleiding daarvan mocht de Staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter de uitvoering van de Raamovereenkomst opschorten en was deze opschorting dus niet disproportioneel. Het betreft een verdenking tegen belangrijke personen binnen [eiseres] van strafbare feiten die hebben plaatsgevonden “binnen de context van het bedrijf”. De aard van de opdrachten, waarbij medewerkers van Defensie in zeer stressvolle situaties fysiek geconfronteerd worden met medewerkers van [eiseres] , het beginsel van goed werkgeverschap het belang van de reputatie van Defensie en de bescherming van het personeel, maken dat [eiseres] niet van de Staat mocht verlangen dat hij op dat moment doorging met trainingen met [eiseres] . Hierbij is niet van belang of [eiseres] de tot dan toe verstrekte opdrachten al dan niet naar volle tevredenheid heeft uitgevoerd.

Het feit dat het mede op grond van het door [eiseres] gevoerde verweer niet duidelijk is of zich aanrandingen hebben voorgedaan en onzeker is of er vervolging wordt ingesteld, betekent niet dat de opschorting niet gerechtvaardigd was of dat niet langer is.

Het is duidelijk dat de betrokkenen bij [eiseres] heel anders tegen de zaak aankijken, maar daarmee zijn de verdenkingen niet weerlegd en de zorgen van de Staat niet weggenomen. Verder heeft [eiseres] geen alternatieve dienstverlening voorgesteld waarbij deelname of betrokkenheid van de verdachte medewerkers is uitgesloten. Een minder ingrijpende maatregel waarmee de Staat had kunnen en moeten volstaan ligt niet, althans niet concreet voor. Ook dat maakt dat de Staat er nu niet toe kan worden verplicht om de opschorting van de Raamovereenkomst in te trekken en om de opdrachtverlening (aan geen ander dan [eiseres] ) te hervatten. Voor zover [eiseres] beoogt dat het de Staat in dit kort geding wordt verboden om met andere aanbieders van trainingsacteurs in zee te gaan, geldt dat een algemeen verbod nu niet op zijn plaats is. In de eerste plaats is de Staat op grond van artikel 1.3 van de Raamovereenkomst niet verplicht om nadere opdrachten aan [eiseres] te verstrekken. Verder kan het onder de gegeven omstandigheden, waarin opdrachtverlening aan [eiseres] voor de Staat geen optie is, het verstrekken van opdrachten aan een derde of derden gerechtvaardigd zijn. Dat [eiseres] in dat verband aanspraak kan maken op schadevergoeding is voorts niet voldoende aannemelijk, waarbij ook van belang is dat geldvorderingen in kort geding alleen kunnen worden toegewezen als in hoge mate aannemelijk is dat die vorderingen ook door de bodemrechter zullen worden toegewezen. Dat is hier niet het geval.

Dit betekent – nog daargelaten of [eiseres] haar spoedeisend belang voldoende heeft onderbouwd – dat haar vorderingen moeten worden afgewezen.

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.101,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.

WJ

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand