RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39412
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft op 20 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, aangevuld met nadere gronden op 1 september 2025 en 1 december 2025.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres heeft verklaard dat zij de Pakistaanse nationaliteit heeft en tot de Punjabi bevolkingsgroep behoort. Zij is Ahmadiyya moslim (Ahmadi). De school, waar zij werkzaam was als docent voor het vak Islam, kwam erachter dat zij Ahmadi is. Dit bemerkte eiseres op het moment dat de directeur en twee docenten bij haar thuis langskwamen op ziekenbezoek. Ze hebben haar toen uitgescholden en bedreigd. Na dit incident werd eiseres de volgende dag op straat nogmaals uitgescholden en aangevallen door drie mannen. Eiseres denkt dat de directeur de bestuurder was van de auto, omdat zij zijn stem herkende. Eiseres vreest bij terugkeer voor de directeur en dat zij haar geloof in Pakistan niet kan uiten op de manier hoe zij zou willen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig. De minister is van mening dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiseres uit Pakistan komt, is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Eiseres valt als Ahmadi in het landenbeleid weliswaar onder een risicoprofiel, maar eiseres heeft haar vrees bij terugkeer niet gestaafd met indicaties die op haar persoonlijk zien. Eiseres heeft verklaard dat zij toegang had tot het onderwijs en huisvesting. Ook heeft zij gewerkt als lerares en had zij toegang tot medicatie. Zij is in het bezit van een Pakistaans paspoort en een Pakistaanse identiteitskaart. Hieruit volgt dat de mate van discriminatie die eiseres heeft ondervonden niet van dien aard is dat zij in ernstige mate wordt beperkt in haar functioneren.
De minister stelt verder dat eiseres te laat asiel heeft aangevraagd. Zij had daarvoor geen verschoonbare reden. De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van nul dagen. Ook is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Overwegingen
Is er sprake van een derde asielmotief?
5. Eiseres voert aan dat er sprake is van gerichte discriminatie en agressie vanwege haar geloof. Ze verwijst hiermee naar haar persoonlijke problemen die zij heeft ondervonden als leerkracht. Zij stelt dat zij is aangevallen en ontslagen omdat zij Ahmadi is. Eiseres voert aan dat dit als afzonderlijk asielmotief meegenomen had moeten worden in de beoordeling.
De minister erkent dat de persoonlijke problemen die eiseres heeft ondervonden vanwege het zijn van Ahmadi niet als afzonderlijk asielmotief zijn aangemerkt. Maar de minister is van mening dat de rechtbank het gebrek kan passeren. Van belang is dat de persoonlijke problemen van eiseres wel zijn doorgetoetst bij de beoordeling van de gestelde vrees bij terugkeer naar Pakistan en dat deze problemen niet leiden tot een ander oordeel dan al verwoord in het bestreden besluit.
6. De rechtbank overweegt dat in paragraaf C1/4.2.3 Vc onder asielmotief wordt verstaan een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming.
De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres ondervonden problemen vanwege het zijn van Ahmadi een asielmotief is. In het nader gehoor heeft eiseres verklaard over de problemen die zij heeft ondervonden met onder meer de schooldirecteur. De vrees voor de directeur was voor haar een belangrijke reden om Pakistan te verlaten. Dit asielmotief raakt dan ook de kern van haar asielrelaas. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek passeren, omdat eiseres niet in haar belangen is geschaad. De minister heeft namelijk in de besluitvorming wel inhoudelijk beoordeeld of eiseres vanwege de ondervonden problemen met de schooldirecteur een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.
Uiting van het geloof bij terugkeer naar Pakistan
7. Eiseres voert aan dat het voor haar niet mogelijk is om haar geloof te belijden zoals zij dat wil. Zij heeft zich in Pakistan moeten onthouden van bepaalde religieuze handelingen vanwege de blasfemie en de anti-Ahmadi wetgeving. Zo mag eiseres zich in Pakistan geen moslim noemen en mogen gebedshuizen niet als moskee worden aangemerkt. Ook kan zij haar geloofsgenoten niet in het openbaar ontmoeten of begroeten.
8. Uit de vaste lijn van de Afdeling volgt dat de minister moet onderzoeken en beoordelen, of en zo ja op welke wijze eiseres na terugkeer naar haar land van herkomst uiting wil geven aan haar geloof. Bij deze beoordeling is van belang dat de minister van eiseres niet mag verlangen dat zij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van haar geloof in het land van herkomst.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de manier waarop eiseres uiting wil geven aan haar geloof bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging oplevert.
De minister stelt dat eiseres de geloofsactiviteiten die zij voor haar vertrek uit Pakistan verrichtte weer kan hervatten bij een terugkeer naar Pakistan. Daar komt bij dat er in Pakistan weliswaar beperkingen zijn in het uiten van het geloof, maar het meest essentiële is mogelijk. Zoals kunnen bidden, de koran lezen en naar een gebedshuis gaan. Uit de aard van de verklaringen van eiseres, blijkt volgens de minister niet dat het voor eiseres van bijzonder belang is om haar geloof te belijden op een wijze die haar zal blootstellen aan vervolging. Uit de verklaringen van eiseres blijkt echter ook dat zij geen religieuze vrijheid had en zich terughoudend moest opstellen. Zo verklaart eiseres dat zij de geloofsbelijdenis niet mag voorzeggen en enkel stiekem religieuze bijeenkomsten kon bezoeken. Ook was het niet toegestaan om de boodschap van het geloof te verspreiden. De rechtbank overweegt dat de minister daarmee niet motiveert of voor eiseres, met de manier waarop zij uiting wil geven aan haar geloof bij terugkeer naar Pakistan, vervolging dreigt. Dat zij in Pakistan geen problemen heeft ondervonden bij haar geloofsactiviteiten, maakt niet dat zij bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Bovendien heeft de gemachtigde van de minister op de zitting ook erkend dat de manier waarop eiseres haar geloof in Nederland publiekelijk uit, niet mogelijk is in Pakistan. Ook kan eiseres in Pakistan niet, zoals zij in Nederland doet, publiekelijk naar bijeenkomsten gaan. Dat het gaan naar bijeenkomsten - zoals de minister betoogt en door eiseres wordt betwist - niet van essentieel belang is voor haar geloofsbelijding is door de minister niet nader onderbouwd.
Volgens de minister kan eiseres weliswaar haar geloof niet verspreiden in Pakistan, maar is ook niet gebleken dat er sprake is van een overtuiging om dit te doen. De rechtbank volgt de minister niet dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat geloofsverspreiding niet van wezenlijk belang is voor haar geloofsbelijdenis of geloofsidentiteit. In de eerste plaats heeft eiseres verklaard waarom het verspreiden van het geloof voor haar belangrijk is en wat zij daarover zou willen verspreiden. De minister heeft dit niet kenbaar betrokken in de beoordeling. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij in Nederland het geloof niet heeft verspreid omdat haar gezondheid dit niet toe laat, maar dit wel zou willen. Het had op de weg van de minister gelegen om eiseres hier nader over te bevragen. Te meer nu uit het ambtsbericht van 23 juli 2024 blijkt dat het voor een Ahmadi-moslim gevaarlijk is om openlijk uiting te geven aan zijn of haar geloof en de situatie hieromtrent is verslechterd.
Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. Alleen daarom al is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging. De overige gronden van beroep behoeven geen verdere bespreking.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat het gebrek in de beroepsfase niet is hersteld. De rechtbank zal ook niet in zelf in de zaak voorzien, omdat het aan de minister is om te beoordelen of eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege de uiting van haar geloof bij terugkeer. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor een bestuurlijke lus, omdat dit het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal de minister dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres.
10. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.