RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44020
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),
en
(gemachtigde: mr. K. Nuninga).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd met de wettelijke vertrekplicht van vier weken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van minister. Ook is een tolk verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser en zijn familie
hadden al een paar jaar ruzie met de familie van vaderskant. Dit waren mondelinge ruzies over de erfenis. Vlak voor eisers vertrek uit Algerije kreeg hij ruzie met zijn neef [naam 2] in de kroeg. Deze ruzie ging over de families en de erfenis. De volgende dag heeft [naam 2] eiser met een hamer van achteren op zijn hoofd geslagen. Eiser heeft toen nog een korte periode doorgebracht in Algerije om te herstellen en is daarna gevlucht. Bij terugkeer is eiser bang dat [naam 2] hem zal vermoorden, omdat [naam 2] dit heeft gezworen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met zijn neef.
De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar eisers identiteit niet. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. De problemen van eiser met zijn neef van vaderskant acht de minister ook geloofwaardig. De minister vindt dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De minister acht de gestelde vrees niet aannemelijk en bij terugkeer naar Algerije kan eiser bescherming krijgen van de Algerijnse autoriteiten. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen als ongegrond.
De verwijzing naar de zienswijze
5. Eiser wijst erop dat al wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd in dit beroep. De rechtbank overweegt hierover dat de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende is om punten uit de zienswijze te kunnen aanmerken als beroepsgrond(en) waar de rechtbank op in dient te gaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is daarom aan eiser om aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit niet juist of niet toereikend is. Deze algemene stelling van eiser is daarvoor onvoldoende. De rechtbank richt zich bij de beoordeling van het beroep dan ook alleen op wat eiser concreet tegen het besluit heeft aangevoerd en zal dit hierna beoordelen.
Mocht de minister eisers identiteit ongeloofwaardig achten?
6. Eisers standpunt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij geen identificerende documenten heeft overgelegd, volgt de rechtbank niet. Het is aan eiser om de door hem gestelde identiteit aannemelijk te maken dan wel te onderbouwen met originele identificerende documenten. De minister mocht van eiser verwachten dat hij pogingen heeft ondernomen om aan identificerende documenten te komen, nu eiser heeft verklaard dat hij een identiteitskaart en rijbewijs in Algerije heeft en tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard nog contact te hebben met zijn moeder en zijn broer. Verder heeft de minister er in dit verband op mogen wijzen dat eiser op het belang en de noodzaak van het overleggen van documenten is gewezen. Dat eiser niet zou hebben begrepen dat het belangrijk is om documenten te overleggen, vanwege zijn referentiekader en vanwege de niet onderbouwde stelling dat hij getraumatiseerd zou zijn, heeft de minister niet hoeven volgen. De minister mocht eisers identiteit dan ook ongeloofwaardig vinden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft niet aannemelijk hoeven achten dat eiser bij terugkeer nog steeds heeft te vrezen voor zijn neef. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser al jaren niets meer van zijn neef heeft gehoord en dat eisers familie in Algerije ook geen problemen met hem heeft gehad sinds eisers vertrek. Voor zover eiser denkt alsnog problemen met zijn neef te krijgen bij terugkeer, heeft de minister hem mogen tegenwerpen dat hij zich tot de Algerijnse autoriteiten kan wenden, aangezien ervan uit kan worden gegaan dat hiertegen in Algerije bescherming wordt geboden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet zo is. Uit eisers verwijzing naar een passage in het rapport van Freedomhouse kan dit niet zonder meer worden afgeleid. Hoewel er sprake is van corruptie, en dit door de minister ook wordt erkend, blijkt uit het rapport van Freedomhouse niet dat het bij voorbaat zinloos is om je tot de Algerijnse autoriteiten te wenden. Bovendien heeft eiser in het verleden ook geen poging gedaan om bescherming te krijgen, zodat ook uit zijn persoonlijk relaas niet blijkt dat de Algerijnse autoriteiten geen bescherming bieden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het bestreden besluit kan dus in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.