RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54240
geboren op [geboortedatum] ,
van Ugandese nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een faciliterend visum. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de afwijzing van de aanvraag niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank zal dit motiveringsgebrek passeren en de afwijzing in stand laten, omdat de minister op grond van de door hem in deze procedure subsidiair gegeven motivering, de aanvraag mocht afwijzen. Vanwege het passeren van het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep ongegrond, maar krijgt eiser wel een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser verblijft illegaal in het Verenigd Koninkrijk en wil bij zijn zoon [naam 2] ( [naam 3] ) in Nederland verblijven. Eiser heeft daartoe op 17 december 2024 een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU en daarbij een beroep gedaan op het arrest Chavez-Vilchez.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 december 2024 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 (bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] , de moeder van [naam 3] , [naam 4] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. [naam 3] is geboren op 20 mei 2007 en heeft de Nederlandse nationaliteit.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit gehandhaafd. De minister stelt zich op het standpunt dat [naam 3] op 20 mei 2025 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en dat daardoor niet meer wordt voldaan aan voorwaarde b van paragraaf B10/2.5.1. van de Vreemdelingencirculaire waardoor ook geen beroep meer kan worden gedaan op het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat vanwege de ex nunc beoordeling in de bezwaarfase de minister moet uitgaan van de op dat moment geldende feiten en omstandigheden, waaronder de inmiddels meerderjarig geworden [naam 3] . Ook stelt de minister zich op het standpunt dat hij niet mag vaststellen of er op een eerder moment een EU-verblijfsrecht bestond, omdat dit niet wettelijk is geregeld. De minister wijst tot slot op het arrest K.A. van het Hof van 8 mei 2018, waarin de mogelijkheid is opengelaten dat er een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU kan bestaan tussen een meerderjarige derdelander en een meerderjarige familielid dat Unieburger is. De minister acht tussen eiser en [naam 3] geen dusdanige afhankelijkheidsrelatie aanwezig dat aan eiser een faciliterend visum zou moeten worden verstrekt.
Heeft de minister de juiste peildatum gehanteerd?
5. Eiser voert aan, zoals ter zitting door de gemachtigde van eiser desgevraagd is bevestigd, dat de minister had moeten toetsen of eiser ten tijde van de aanvraag een EU-verblijfsrecht heeft en op dat moment wordt voldaan aan de voorwaarden in paragraaf B10/2.5.1 van de Vc. Eiser wijst erop dat ten tijde van de aanvraag [naam 3] nog minderjarig was.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit had moeten uitgaan van de leeftijd van [naam 3] ten tijde van het indienen van de aanvraag op 17 december 2024. De rechtbank ziet voor het hanteren van deze peildatum aanknopingspunten in bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (Afdeling) van 26 juni 2024. In die uitspraak gaat het om de ingangsdatum van het verstrekken van een artikel 9 document ten behoeve van een vreemdeling die bij zijn minderjarige zoon in Nederland wil verblijven. De Afdeling wijst in die uitspraak op andere uitspraken van de Afdeling waaruit volgt dat de minister niet bevoegd is om de ingangsdatum van een afgeleid verblijfsrecht op verzoek van een vreemdeling vast te stellen, maar oordeelt eveneens dat het ontbreken van deze bevoegdheid niet betekent dat de minister niet gehouden is om op grond van afdeling 3.2 van de Awb vast te stellen met ingang van welke datum een afgeleid verblijfsrecht feitelijk bestaat. Uit overwegingen 4.2. en 4.3. van die uitspraak kan verder worden afgeleid dat de minister in beginsel mag uitgaan van de datum waarop een vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij een afgeleid verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent en dat dat de datum is waarop de vreemdeling de daarmee verband houdende aanvraag heeft ingediend.
De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanknopingspunten om anders te oordelen dan het oordeel van de Afdeling in de bovengenoemde uitspraak van 26 juni 2024. Dat betekent dat de minister in het bestreden besluit bij zijn beoordeling dient uit te gaan van de datum van de aanvraag van eiser en derhalve ook van de relevante feiten en omstandigheden ten tijde van de datum van de aanvraag van 17 december 2024. De minister heeft dit ten onrechte niet gedaan.
Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.
6. De rechtbank zal het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren en overweegt daartoe het volgende.
De minister heeft op zitting als subsidiair standpunt naar voren gebracht dat wanneer van de minderjarigheid van [naam 3] moet worden uitgegaan, de aanvraag ook was afgewezen. De minister wijst in dit verband op de in het dossier aanwezige formulier Detailgegevens Visumaanvraag waaruit is op te maken dat de minister zich al ten tijde van de primaire besluitvormingsprocedure op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat de minderjarige [naam 3] gedwongen zal zijn het EU-grondgebied te verlaten als aan eiser geen verblijf wordt toegestaan, dat er jarenlang vrijwel geen fysiek contact is geweest tussen eiser en [naam 3] en dat, voor zover eiser een rol speelt bij de opvoeding van [naam 3] , dit op afstand gebeurt en dat dit op die wijze kan worden voortgezet. De minister wijst er verder op dat in de bezwaarfase geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat eiser, gelet op paragraaf B10/2.5.1 van de Vc, daadwerkelijk voor [naam 3] zorgt (voorwaarde c) en dat er sprake zou zijn van een dusdanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [naam 3] dat [naam 3] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd (voorwaarde d).
De rechtbank acht de onder 6.1 gegeven motivering van de minister voldoende deugdelijk. Eiser heeft met de overgelegde verklaringen van hem, [naam 3] en de moeder van [naam 3] , screenshots van appberichten, enkele bankoverschrijvingen, foto’s, boardings passes en treinkaartjes niet aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden c en d van paragraaf B12/2.5.1 van de Vc. De minister heeft daarbij eveneens van belang kunnen vinden dat eiser en referent al zeer lange tijd gescheiden van elkaar leven en eiser ten tijde van de aanvraag al bijna 18 jaar oud is. De beroepsgrond van eiser dat wel wordt voldaan aan de voorwaarden c en d slaagt niet. Eiser heeft ook in deze beroepsprocedure niet met objectieve bewijsstukken aannemelijk weten te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden c en d. Nu de rechtbank heeft beoordeeld of eiser ten tijde van de aanvraag, op welke datum [naam 3] nog minderjarig was, aan de voorwaarden heeft voldaan, hebben de beroepsgronden die betrekking hebben op het arrest K.A. geen betekenis meer.
Ook eisers beroepsgrond dat de minister ten onrechte in de bezwaarfase geen hoorzitting heeft gehouden, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het bezwaarschift van eiser en de in de bezwaarfase overgelegde stukken aanstonds blijkt dat het bezwaar geen kan van slagen heeft, zodat sprake is geweest van een kennelijk ongegrond bezwaar. Onder die omstandigheid kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in de bezwaarfase worden afgezien.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank komt gelet op al het voorgaande tot de conclusie dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. De rechtbank geeft vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek toepassing aan artikel 6:22 van de Awb, omdat de gedurende deze beroepsprocedure door de minister (subsidiair) gegeven motivering deugdelijk is en eiser niet wordt benadeeld door de instandlating van het bestreden besluit.
8. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb krijgt eiser wel een vergoeding van zijn gemaakte proceskosten. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten en stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.