Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-326867-23
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft op 4 februari 2026 de zaak inhoudelijk behandeld en het onderzoek ter terechtzitting gesloten. Zij heeft op 11 februari 2026 met een tussenvonnis het onderzoek ter terechtzitting heropend. Vervolgens heeft de rechtbank de inhoudelijke behandeling op 18 februari 2026 hervat, waarna het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.W. Noorduyn naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 25 januari 2022 te 's-Gravenhage, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door de borsten van die [aangeefster 1] te betasten;
2
hij op of omstreeks 4 maart 2022 te 's-Gravenhage, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 2] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had
toevertrouwd, door de borst van die [aangeefster 2] te betasten;
3
hij op of omstreeks 6 november 2023 te 's-Gravenhage, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had
toevertrouwd, door de borsten van die [aangeefster 1] te betasten.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide aangiftes betrouwbaar zijn en dat er sprake is van voldoende steunbewijs, dat mede aan schakelbewijs kan worden ontleend.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en dat aan hem een verbod wordt opgelegd tot het uitoefenen van een medisch, paramedisch of ondersteunend medisch beroep met kans op enig fysiek patiëntencontact voor de duur van 5 jaar. Alsmede een contactverbod met de benadeelde partij voor de duur van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft bepleit dat de verklaringen van aangeefsters onbetrouwbaar zijn en onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Het oordeel van de rechtbank
Toetsingskader
Veel zedenzaken worden gekenmerkt doordat het juridische minimumbewijs moeilijk te leveren is, omdat de verklaring van de aangever vaak lijnrecht staat tegenover de verklaring van de verdachte. Zo ook in de onderhavige zaak. Om dan toch tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten te kunnen komen, moet de rechtbank beoordelen of in het dossier voldoende steunbewijs voorhanden is voor de verklaringen van de aangever.
Uit de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs in zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de tenlastegelegde seksuele handelingen waarover een aangever verklaart als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is als de verklaring van een aangever op bepaalde onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Zo kan in dit soort zedenzaken soms steunbewijs worden gevonden in de waarneming van (het gedrag van) een aangever door getuigen, vlak na het moment dat het tenlastegelegde feit heeft plaatsgevonden. Dit is het geval indien de emotionele toestand die de getuige(n) op dat moment bij de aangever heeft/hebben waargenomen, en eventuele latere gedragsveranderingen, niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan als een bevestiging van de verklaring van de aangever. Wel is behoedzaamheid op haar plaats bij het gebruik van emoties als steunbewijs. Het steunbewijs kan niet enkel worden gegrond op de door getuige(n) waargenomen emotionele gemoedstoestand van de aangever.
Vrijspraak feit 1 en feit 3
Aangeefster [aangeefster 1] heeft op 17 november 2023 aangifte gedaan van ontucht gepleegd op 25 januari 2022 en op 6 november 2023. Het dossier bevat twee verklaringen van de man van aangeefster, getuige [getuige 1] . Hij heeft verklaard over stil en afstandelijke gedrag op 6 november 2023 toen zij hem vertelde wat er die dag en in januari 2022 volgens haar was gebeurd. Ook heeft hij verklaard over een gedragsverandering bij zijn vrouw, namelijk dat zij de afgelopen jaren afstandelijker was geworden. Een concrete verklaring over de emotionele gemoedstoestand of gedragsverandering van de aangeefster vlak na het vermeende misbruik in januari 2022 en 6 november 2023 waarvan aangenomen kan worden dat die in voldoende relevant verband staat met dit vermeende misbruik, ontbreekt evenwel. Voor het overige ontbreekt steunbewijs.
De rechtbank komt - alles afwegende en in samenhang bezien - tot de conclusie dat onvoldoende overtuigend steunbewijs voorhanden is voor de belastende verklaringen van aangeefster, zodat het onder 1 en onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Vrijspraak feit 2
Aangeefster [aangeefster 2] heeft op 24 november 2023 aangifte gedaan van ontucht gepleegd op 4 maart 2022. De rechtbank komt tot het oordeel dat voor de verklaring van deze aangeefster evenmin voldoende steunbewijs is.
De verklaringen van de man van aangeefster, getuige [getuige 2] , bevatten geen eigen waarneming en geven geen uitvoerige beschrijving van de emoties die hij waarnam, anders dan dat zij verbijsterd en geshockeerd was toen hij zijn vrouw telefonisch sprak over het voorval. Aangeefster zelf zegt dat ze erg van streek was en moest huilen toen ze het haar man vertelde, terwijl haar man op dat punt heeft verklaard dat ze toen ‘een beetje in shock was’ en dat ze niet volledig besefte wat er was gebeurd. Hetgeen haar man heeft verklaard over de door hem waargenomen emoties is in dat opzicht niet vanzelfsprekend in overeenstemming met wat de aangeefster over haar emoties heeft verklaard. De rechtbank is, behoedzaam toetsend, van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige 2] daarmee niet zodanig van aard is dat hieruit zonder meer voldoende steun voor de verklaring van aangeefster kan volgen.
De verklaring van de getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris dat zij aangeefster op de bewuste dag boos zag weglopen is onverenigbaar met haar eerdere verklaring bij de politie dat ze toen niets heeft gemerkt en kan om die reden niet dienen als steunbewijs.
Steunbewijs kan evenmin worden gevonden in het telefoongesprek met [naam] , de meldingen (van anderen) bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de getuigenverklaring van [getuige 4] , nu de inhoud daarvan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband staat van de verklaring van aangeefster [aangeefster 2] .
Nu voldoende wettig bewijs ontbreekt, dient verdachte ook van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.
Gebruik schakelbewijs niet mogelijk
De rechtbank stelt vast dat het in deze zaak opvallend is dat twee vrouwen, zonder elkaar te kennen en onafhankelijk van elkaar, verklaringen hebben afgelegd die erop neerkomen dat zij door verdachte seksueel zijn misbruikt. De officier van justitie heeft in dit verband betoogd dat de omstandigheden waaronder de strafbare feiten jegens aangeefster [aangeefster 1] zijn gepleegd essentiële, specifieke overeenkomsten vertonen met de omstandigheden rondom het strafbare feit jegens aangeefster [aangeefster 2] en dat hun verklaringen daarom als schakelbewijs in elkaars zaken kunnen worden gebruikt.
Met de term schakelbewijs wordt gedoeld op een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs redengevend is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen (Vgl. Hoge Raad 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 en Hoge Raad 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:654).
De rechtbank heeft in het voorgaande geoordeeld dat het dossier voor beide afzonderlijke zaken van aangeefster [aangeefster 1] en aangeefster [aangeefster 2] onvoldoende steunbewijs bevat. Dat betekent dat ten aanzien van geen van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten voldoende wettig bewijs voorhanden is. Hoewel dat op zichzelf niet aan het gebruik van schakelbewijs in de weg hoeft te staan, heeft dit wel betekenis voor de bewijsvoering in het geheel.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie genoemde overeenkomsten in beide zaken – handelingen bij twee jonge vrouwen waarbij hun borst(en)/tepels worden betast – een te algemeen karakter dragen om daaraan de vereiste redengevendheid toe te kennen. De rechtbank acht het gebruik van een schakelbewijsconstructie daarom in deze zaak niet mogelijk.
4. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 32.442,95, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 442,95 aan materiële schade, € 2.000,- aan immateriële schade en € 30.000,- aan toekomstige schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van benadeelde partij tot een bedrag van € 2.442,95, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de verzochte vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij zal worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.