RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39005
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. L.M.F. Verhaegh).
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om opheffing van zijn signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS) afgewezen.
Bij besluit van 15 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit van 15 november 2023
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Bij besluit van 18 maart 2015 is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) naar aanleiding van een veroordeling wegens een opiumdelict. Eiser heeft op 7 november 2017, 24 juli 2019, en op 16 november 2020 verzoeken ingediend voor de opheffing van de ongewenstverklaring. Alle verzoeken zijn afgewezen door verweerder. Op 4 januari 2023 heeft eiser een verzoek om verwijdering van de SIS-signalering ingediend.
2. In het bestreden besluit is vermeld dat eiser in het SIS is gesignaleerd, nu hij ongewenst is verklaard en niet beschikt over een verblijfsvergunning (inclusief asiel) in één van de lidstaten van de Europese Unie (paragraaf A2/12.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)). De ongewenstverklaring ligt dus ten grondslag aan de SIS-signalering. De signalering van een ongewenstverklaring wordt beëindigd als de betreffende maatregel wordt opgeheven (paragraaf A2/12.2 van de Vc). Nu eiser niet voldoet aan de opheffingsvoorwaarden van de ongewenstverklaring en er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden (paragraaf A2/12.12 van de Vc), voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor opheffing van de SIS-signalering. Eiser heeft verder geen stukken overgelegd om zijn verzoek te onderbouwen, om de evenredigheid van de signalering te toetsen en om zijn persoonlijke belangen mee te wegen.
Juridisch kader
3. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank van de beroepsgronden
Procesbelang
4. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser zich uitsluitend richt tegen (het niet opheffen van) de SIS-signalering. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser procesbelang heeft bij deze beroepsprocedure omdat de ongewenstverklaring, die ten grondslag ligt aan de SIS-signalering, nog van kracht is (en eiser ook niet om opheffing van deze ongewenstverklaring heeft verzocht).
Volgens vaste rechtspraak kan de vreemdeling slechts opkomen tegen een besluit als hij bij het instellen van dat rechtsmiddel een belang heeft, in de zin dat hij daardoor materieel in een gunstigere positie zou geraken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3363). Naar het oordeel van de rechtbank is dat in deze zaak aan de orde. Door de verwijdering van eisers gegevens in het SIS, zien andere lidstaten niet meer dat eiser tot ongewenst vreemdeling is verklaard in Nederland. Het kan niet worden uitgesloten dat dit positieve gevolgen heeft voor eiser. Eiser kan bijvoorbeeld de toegang tot het Schengengebied worden ontzegd vanwege de SIS-signalering. Dit is anders dan in de uitspraak van deze rechtbank van 24 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:5101), waarnaar verweerder verwijst. Daar werd verzocht om de opheffing van de E&S signalering van de ongewenstverklaring. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
SIS-signalering
4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte niet na vijf jaar de noodzaak van verdere bewaring van eisers gegevens in het SIS heeft getoetst op grond van artikel 39, eerste en tweede lid van Verordening (EU) 2018/1861 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem op het gebied van grenscontroles en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen (hierna: de Verordening).
Signaleringen worden op grond van de Verordening niet langer bewaard dan nodig is voor het met de invoering nagestreefde doel (artikel 39). De signalerende lidstaat toetst uiterlijk binnen vijf jaar de noodzaak van verdere bewaring als bij de nationale beslissing die aan de basis ligt van de signalering een langere geldigheidsperiode dan drie jaar is bepaald (artikel 39, tweede lid van de Verordening). De SIS-signalering wordt na afloop van de toetsingstermijn automatisch gewist als er geen toetsing plaatsvindt (artikel 39, vijfde lid van de Verordening).
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat na vijf jaar de noodzaak van verdere bewaring van eisers gegevens in het SIS getoetst is en dat is geconcludeerd dat deze noodzaak er nog was omdat er geen veranderde omstandigheden waren. Verweerder heeft daarbij gesteld dat het systeem waarmee gewerkt wordt, vlak voor het verstrijken van de toetsingstermijn laat weten dat er een toets dient plaats te vinden en dat die toets dus ook in deze zaak is verricht. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring van verweerder te twijfelen en gaat ervan uit dat de toets daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de signalering anders zou zijn gewist en dat is hier niet het geval. De stelling van eiser dat deze toets voor hem kenbaar dient te worden gemaakt, volgt niet uit de Verordening. Het enkele feit dat er geen verlengingsbesluit is genomen, is daarom onvoldoende voor de conclusie dat de vereiste toets niet heeft plaatsgevonden. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:22174), leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in deze zaak was er namelijk geen sprake van een (automatische) toets na het verstrijken van een termijn als bedoeld in artikel 39, tweede lid van de Verordening, maar van een verlenging van de SIS-signalering op grond van artikel 24 van de Verordening. Daarnaast ging het om een SIS-signalering met een bepaalde duur. Nu geen sprake is van gelijke gevallen, kan eisers beroep op deze uitspraak niet leiden tot het daarmee door hem beoogde doel. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
5. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte zijn verzoek om verwijdering van zijn SIS-signalering verkeerd heeft getoetst. Verweerder lijkt het verzoek om opheffing van de signalering gelijk te stellen met een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring. Verder stelt eiser dat handhaving van zijn SIS-signalering onevenredig is.
Verweerder heeft in het bestreden besluit, anders dan eiser stelt, wel eisers verzoek om verwijdering van zijn SIS-signalering beoordeeld. Deze beoordeling staat op pagina 3 van het bestreden besluit en op pagina 4 van het besluit van 28 maart 2023 dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit.
Ten aanzien van de stelling dat handhaving van de SIS-signalering van eiser onevenredig is, wordt geoordeeld dat het aan de vreemdeling is om concrete feiten en omstandigheden te stellen, en die ook te onderbouwen, die aanleiding geven voor het oordeel dat zijn persoonlijke belangen bij verwijdering van de SIS-signalering zwaarder wegen dan de belangen van verweerder bij handhaving van de SIS-signalering. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de strafrechtelijke veroordeling waarop de ongewenstverklaring en dus de SIS-signalering is gebaseerd (ten tijde van het verzoek om opheffing) acht jaar geleden was en dat sprake was van een relatief licht vergrijp, waar eiser bovendien spijt van heeft. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de besluitvorming een individuele afweging heeft gemaakt of het in het geval van eiser evenredig is om hem te signaleren in het SIS. In de beroepsprocedure heeft eiser nog naar voren gebracht dat hij zijn familie in België wil bezoeken. Eiser heeft niet onderbouwd met stukken of anderszins concreet gemaakt dat hij daadwerkelijk familie heeft die in de EU woont of dat hij zijn familie niet in ander land buiten de EU kan bezoeken. Reeds gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een gewichtig belang heeft bij het kunnen inreizen en verblijven in de EU. Het tijdsverloop sinds de strafrechtelijke veroordeling die aan de ongewenstverklaring ten grondslag ligt, de stelling dat het een relatief vergrijp betreft en de spijtbetuiging van eiser leveren, bij gebrek aan een onderbouwd belang bij aanwezigheid in de EU, op zichzelf geen gewichtig belang op bij verwijdering van zijn (op de ongewenstverklaring gebaseerde) SIS-signalering. De signalering in het SIS heeft dan ook geen onevenredige gevolgen voor eiser in verhouding tot het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid en het belang van grensbewaking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Toetsingskader
Vc A2/12.2
(…)
De signalering in SIS en E&S vanwege een inreisverbod, ongewenstverklaring of besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt beëindigd als de duur van de betreffende maatregel is verstreken of als de maatregel wordt opgeheven.
Vc A2/12.12
De IND wist een door Nederland in het SIS ingevoerde signalering inzake terugkeer als de vreemdeling is uitgereisd uit het grondgebied van de lidstaten en zijn vertrek bij de IND bekend is. Een door Nederland in het SIS ingevoerde signalering met het oog op weigering toegang en verblijf wordt gewist als de duur van het opgelegde inreisverbod is verstreken en zijn vertrek bij de IND bekend is; zie ook paragraaf A4/2.5.6 Vc.
De IND kan een signalering wissen als sprake is van gewijzigde omstandigheden, die aanzetten tot het wissen van de signalering. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:
•de grondslag voor de signalering is komen te vervallen;
•de vreemdeling toont aan dat de signalering berust op onterechte gronden;
•aan de vreemdeling wordt verblijf in Nederland toegestaan;
•aan de vreemdeling wordt verblijf in een andere lidstaat toegestaan; zie paragraaf A2/12.10 Vc. De IND gaat na of de vreemdeling in het E&S wordt gesignaleerd.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.