ECLI:NL:RBDHA:2026:4246

ECLI:NL:RBDHA:2026:4246

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer NL25.30625 tussenuitspraak
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Statushouder Duitsland – eiser beoogt met zijn asielaanvraag een verblijfsrecht bij zijn in Nederland wonende vrouw en hun kinderen te verkrijgen. Eiser heeft echter eerder tegelijk met zijn toenmalige vrouw in Duitsland bescherming gevraagd en een subsidiaire beschermingsstatus verkregen, maar heeft gesteld met deze vrouw en de kinderen die uit dat huwelijk zijn geboren geen contact meer te hebben. Doordat verweerder eiser opdraagt om zich onmiddellijk naar Duitsland te begeven, legt verweerder richtlijn 2008/115 ten uitvoer en is hij verplicht om onder meer rekening te houden met de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen. Indien verweerder eiser opdraagt om zich naar Duitsland te begeven, heeft dit gevolgen voor zijn kinderen die in Nederland verblijven en voor het familieleven dat hij in Nederland uitoefent. Het belang van het kind en het familieleven zijn geen absolute grondrechten, maar verweerder moet wel motiveren hoe hij in deze procedure deze belangen beoordeelt en betrekt. De rechtbank heeft met partijen besproken wat zij wensen te bereiken met deze procedure. De rechtbank wil partijen best in de gelegenheid stellen om hun standpunten nader te onderbouwen en is best bereid om het onderzoek ter zitting daarna voort te zetten en een – vierde - uitspraak te schrijven om het geschil tussen partijen te beslechten. Partijen kunnen echter ook met elkaar in gesprek gaan om te bezien of het mogelijk is om een einde te maken aan het (door)procederen. De rechtbank doet een tussenuitspraak, zodat partijen hun standpunten nader kunnen onderbouwen en zich kunnen beraden op hun procespositie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.30625 T

(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),

en

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

Eiser heeft op 23 juni 2021 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft dit verzoek op 4 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard en eiser opgedragen om zich naar Duitsland te begeven omdat de Duitse autoriteiten reeds op 21 november 2017 aan eiser subsidiaire bescherming hebben verleend.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 14 februari 2025 een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld om bij de Duitse autoriteiten na te gaan of zij nog steeds internationale bescherming aan eiser verlenen en zo ja, hoe zich dit verhoudt met de toegangsweigering op 12 juni 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2025:2051). Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid die de rechtbank heeft geboden om zich nader bij de Duitse autoriteiten te vergewissen. De rechtbank heeft op 7 april 2025 een einduitspraak gedaan en het beroep gegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:5697). Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel ingesteld.

Verweerder heeft in zijn besluit van 4 juli 2025 de asielaanvraag van eiser wederom niet-ontvankelijk verklaard en eiser nogmaals opgedragen om zich onmiddellijk naar Duitsland te begeven.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL25.30626). In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit van 4 juli 2025.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, wederom vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft in de beroepsgronden aangevoerd dat aan hem een verblijfsvergunning moet worden verleend omdat hij een familielid is van een persoon met een asielvergunning in Nederland. Eiser is wettelijk gehuwd met zijn echtgenote, uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren en van deze gezinsrelatie zijn originele documenten overgelegd die door verweerder zijn onderzocht en echt zijn bevonden. Ter zitting hebben eiser en zijn echtgenote verklaard dat zij een derde kindje verwachten. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de omstandigheid dat hun gezinsleven in Turkije is gevormd moet worden gelijkgesteld met de situatie dat de gezinsband in het land van herkomst is ontstaan en hij daarom wel aan de formele vereisten voor de verkrijging van een afgeleide verblijfsvergunning voldoet. Eiser stelt tevens dat uit de stukken die verweerder heeft overgelegd blijkt dat de Duitse autoriteiten weten dat hij na de statusverlening met onbekende bestemming is vertrokken en het dus niet anders kan zijn dan dat zijn subsidiaire beschermingsstatus door de Duitse autoriteiten is ingetrokken. Gelet op zijn gezinsleven in Nederland, kan niet worden aangenomen dat hij een band heeft met Duitsland. De vrouw met wie hij eerder was gehuwd, en met wie hij tezamen in Duitsland een internationale beschermingsstatus heeft gevraagd en heeft verkregen, en de vier kinderen die uit dat huwelijk zijn geboren heeft hij al een paar jaar niet gezien.

2. Verweerder heeft inmiddels navraag bij de Duitse autoriteiten gedaan en daaruit blijkt dat de subsidiaire beschermingsstatus die aan eiser is verleend niet is ingetrokken of beëindigd. Verweerder heeft in het besluit, net als in de vorige procedure, gewezen op de wisselende en tegenstrijdige verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn gezinsleven in Duitsland. Verder heeft verweerder aangeven dat het gezinsleven in Nederland onvoldoende is onderbouwd en ook niet afdoet aan de niet-ontvankelijkverklaring omdat in deze procedure niet worden beoordeeld of aan eiser een vergunning op grond van artikel 8 EVRM moet worden verleend.

3. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken een tussenuitspraak te zullen doen om beide partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten nader te onderbouwen en daarbij tevens in te gaan op de inzet van deze procedure. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4. De beroepsgrond dat de subsidiaire beschermingsstatus niet langer bestaat, slaagt niet. Verweerder heeft onder verwijzing naar correspondentie met de Duitse autoriteiten over onder meer de eerdere grensweigering, genoegzaam onderbouwd dat de Duitse autoriteiten, die eiser met ingang van 30 juni 2020 als met onbekende bestemming vertrokken hebben geregistreerd, de status niet hebben ingetrokken of beëindigd. Eiser heeft ter zitting erkend dat het aan hem is om zijn stelling dat hij niet langer subsidiaire bescherming zal ontvangen als hij terugkeert naar Duitsland te onderbouwen en dat hij daarin niet is geslaagd. Voor zover eiser aanvankelijk heeft gesteld dat ten aanzien van Duitsland in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan geldt ook dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd. De rechtbank controleert ook ambtshalve of artikel 4 van het Handvest in de weg staat aan het moeten terugkeren naar Duitsland en stelt vast dat er geen enkele indicatie is dat eiser na terugkeer naar Duitsland een reëel en voorzienbaar risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 4 van het Handvest. De verklaringen van eiser nopen ook niet tot nader onderzoek en uit algemene landeninformatie volgt geenszins dat statushouders hun rechten in Duitsland niet kunnen effectueren.

5. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat hij aan eiser geen verblijfsvergunning hoeft te verlenen omdat verweerder aan zijn vrouw en kinderen, die geruime tijd na hem Nederland zijn ingereisd, een verblijfsvergunning asiel heeft verleend. Overigens heeft te gelden dat, indien verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaart, verweerder dit eigenlijk niet hoeft te beoordelen. Verweerder heeft dit echter zeer uitgebreid gemotiveerd wel gedaan. Eiser is alleen op het punt ingegaan dat hun gezinsleven in Turkije, en dus - zo begrijpt de rechtbank - voor hun komst naar Nederland, reeds was gevormd. De andere argumenten van verweerder heeft eiser niet weersproken in beroep. De rechtbank begrijpt overigens dat verweerder in zijn motivering vooral is ingegaan op de tegenstrijdige en wisselende verklaringen van eiser over zijn eerdere huwelijk met de vrouw die nu (nog steeds) in Duitsland verblijft. Eiser heeft zich bij herhaling, ook sinds zijn asielaanvraag van 23 juni 2021, op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een rechtsgeldig huwelijk met de vrouw met wie hij in Duitsland meerdere kinderen heeft en met wie hij gelijktijdig asiel heeft aangevraagd en hij daardoor ook niet kon onderbouwen dat deze relatie en gezinsband is verbroken. Eiser heeft echter daags voor de behandeling ter zitting, dus op 26 februari 2026, een afschrift van de echtscheidingsuitspraak van 23 juli 2021 overgelegd waaruit blijkt dat hij op 8 maart 2013 in Libië met die vrouw is getrouwd en haar verzoek om scheiding op 8 april 2021 aan hem is uitgereikt. In de uitspraak waarin de echtscheiding is uitgesproken, is tevens vermeld dat zij sinds januari 2020 feitelijk zijn gescheiden. De rechtbank heeft eiser ter zitting medegedeeld dat het zeer verbaast dat hij pas nu dit afschrift van de uitspraak overlegt en dat hij door deze proceshouding, waarbij zijn verklaringen niet aansluiten bij dit afschrift, het voor verweerder onnodig complex maakt om zijn aanvraag te beoordelen.

6. De rechtbank heeft deze deelbeslissingen ter zitting toegelicht en heeft voorts het navolgende met partijen besproken.

7. De rechtbank heeft met eiser besproken dat de inzet van deze procedure een asielaanvraag is en de vraag of verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk mag verklaren. Indien eiser in het gelijk wordt gesteld, betekent dit niet dat hij voor een asielvergunning in aanmerking moet worden gebracht, maar uitsluitend dat zijn asielaanvraag door verweerder inhoudelijk moet worden beoordeeld. De rechtbank heeft gewezen op het actuele landgebonden beleid Syrië en heeft eiser voorgehouden dat hij een zeer aanzienlijk procesrisico neemt door in plaats van zijn subsidiaire status in Duitsland te effectueren, aan verweerder te willen verzoeken hem als Syrisch onderdaan in aanmerking te brengen voor internationale bescherming. Weliswaar zal verweerder in een dergelijke procedure moeten nagaan waarom de Duitse autoriteiten een subsidiairebeschermingsstatus hebben verleend en zal verweerder dit bij zijn eigen beoordeling moeten betrekken. Tegelijkertijd heeft echter te gelden dat verweerder niet verplicht is om de beoordeling van de beschermingsbehoefte door Duitsland over te nemen en dat overigens het landgebonden beleid Syrië in Duitsland ook is gewijzigd ten aanzien van de vergunningverlening in Duitsland op 21 november 2017. Eiser heeft Syrië geruime tijd geleden verlaten en onder meer in Libië, Duitsland en vervolgens Turkije verbleven, zodat het maar zeer de vraag zal zijn of eiser thans in staat zal zijn om een beschermingsbehoefte aannemelijk te maken. Eiser beoogt in wezen een verblijfsvergunning te verkrijgen voor verblijf bij zijn vrouw en kinderen in Nederland en gaat er vanuit, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, dat indien hij wordt toegelaten tot de nationale procedure, dat een eerste aanvraag zal zijn en daarom ook zal worden beoordeeld of aan hem een vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM moet worden verleend. De rechtbank heeft er op gewezen dat niet valt uit te sluiten dat verweerder in dat geval gewicht toekent aan de status in Duitsland en de mogelijkheid die eiser heeft (gehad) om gezinsleven uit te oefenen in en vanuit Duitsland.

8. De rechtbank heeft met verweerder besproken dat het besluit zal moeten worden aangevuld, temeer gelet op de door eiser daags voor de zitting overgelegde productie. Dit betekent niet dat verweerder in de onderhavige procedure moet nagaan of aan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend vanwege zijn familieleven. Richtlijn 2008/115 ziet immers niet op verblijf en de voorwaarden hiervoor, maar uitsluitend op de terugkeer en in deze procedure op de terugkeer naar Duitsland. Het recht op privéleven en het belang van het kind zijn geen absolute grondrechten en deze grondrechten verbieden verweerder ook niet in absolute zin om eiser op te dragen om zich naar Duitsland te begeven, maar verweerder moet wel een gemotiveerd standpunt innemen op welke wijze hij met deze belangen rekening houdt in het aanvullend te nemen besluit. Verweerder heeft in het thans te beoordelen besluit geen enkele overweging gewijd aan het belang van het kind, terwijl het belang van het kind bij elke handeling van elke autoriteit een eerste overweging moet zijn, ook als dat kind niet de verzoeker in de voorliggende procedure is.

9. De rechtbank heeft vervolgens met partijen besproken wat zij wensen te bereiken met deze procedure. De rechtbank wil partijen best in de gelegenheid stellen om hun standpunten nader te onderbouwen en is best bereid om het onderzoek ter zitting daarna voort te zetten en een – vierde - uitspraak te schrijven om het geschil tussen partijen te beslechten. Partijen kunnen echter ook met elkaar in gesprek gaan om te bezien of het mogelijk is om een einde te maken aan het (door)procederen. Eiser is evident aan het procederen om de geboorte van zijn derde kind in Nederland af te wachten en heeft voorts toegelicht dat zijn vrouw over twee jaar in aanmerking zal komen om een naturalisatieverzoek in te dienen. Indien verweerder in het gelijk wordt gesteld en eiser, na een mogelijk hoger beroep, zich naar Duitsland zal begeven, dan wel zal moeten terugkeren naar Syrië, is het buitengewoon waarschijnlijk dat verweerder op een later moment geconfronteerd zal worden met een verzoek van eiser om zich bij zijn dan Nederlandse vrouw en drie kinderen te voegen. Het is niet uitgesloten dat verweerder uiteindelijk tot een vorm van vergunningverlening zal overgaan. Indien dit voorzienbaar is, is het wellicht raadzaam dat partijen zich hierover beraden en met elkaar in contact treden. De rechtbank merkt hierbij op het te begrijpen als verweerder eerst enige tegenzin opzij zal moeten zetten gelet op de proceshouding van eiser, de tegenstrijdige en inconsistente verklaringen die hij heeft afgelegd en het niet eerder overleggen van relevante stukken. Tegelijkertijd zal te gelden hebben dat verweerder weinig capaciteit zal willen inzetten voor (aanvullende) besluiten en proceshandelingen als voorzienbaar zou zijn dat op een later moment alsnog tot vergunningverlening zal moeten worden overgegaan.

10. De rechtbank heeft met partijen afgesproken een tussenuitspraak te doen en dit alles te overwegen en beide partijen een termijn van vier weken te verlenen om hun standpunt nader te onderbouwen. De rechtbank stelt eiser in de gelegenheid om de onderbouwing van zijn gezinsleven in Nederland aan te vullen met stukken over in ieder geval de zwangerschap. De rechtbank heeft eiser uitdrukkelijk aangezegd om goed na te denken op welke wijze en met welke verklaringen en documenten hij zijn standpunt nader wil onderbouwen en te voorkomen dat verweerder en de rechtbank wederom daags voor een volgende zitting met nieuwe informatie worden geconfronteerd. Verweerder zal vervolgens een termijn van vier weken hebben om, indien hij dit besluit handhaaft, aanvullend te motiveren op welke wijze hij rekening heeft gehouden met het belang van de kinderen van eiser in Nederland en met het familieleven dat eiser thans in Nederland uitoefent. Partijen hebben hiermee ingestemd en hebben tevens toegezegd dat indien het besluit en/of het beroep wordt ingetrokken, dit kenbaar te maken door middel van het plaatsen van een bericht in het digitale dossier. De rechtbank zal partijen na ontvangst van het aanvullende besluit informeren over de verdere voortgang van de procedure.

11. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak zijn verklaringen over zijn gezinsleven in Nederland nader te onderbouwen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om vier weken na ontvangst van een nadere onderbouwing door eiser van zijn standpunt te reageren en zijn besluit aanvullend te motiveren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.B.J. Schreijen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 4 maart 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Griffier

  • mr. M.B.J. Schreijen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?