RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6649
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 december 2025 (in de zaak NL25.56858) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hiertoe betoogt hij dat er reeds vier maanden zijn verstreken sinds zijn inbewaringstelling, dat verweerder in verband met de voor hem ingediende laissez-passer aanvraag inmiddels zes rappels heeft verstuurd, maar dat desondanks geen enkele reactie van de Egyptische autoriteiten is ontvangen.
4. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte niet ontbreekt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18251, waarin verweerder cijfers heeft overlegd van de uitzettingen naar Egypte en waaruit de rechtbank heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte niet ontbreekt. Over het zicht op uitzetting in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 29 september 2025 ingediende lp-aanvraag voor Egypte is nog in behandeling bij de Egyptische autoriteiten. Dat er tot op heden geen (positieve) reactie van de Egyptische autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject gaat in het algemeen de nodige tijd gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank wijst in dit verband ook op het (meest recente) vertrekgesprekken van 22 december 2025 en 19 januari 2026. Uit de verslagen daarvan blijkt dat eiser heeft verklaard niets te hebben ondernomen om zijn terugkeer te bespoedigen of bij te dragen aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op de vreemdeling de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en de lp-trajecten. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat de lp-trajecten, als hij wel voldoende zou meewerken, op niets uit zullen lopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.