ECLI:NL:RBDHA:2026:4263

ECLI:NL:RBDHA:2026:4263

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 09/229999-25 en 09/116168-25 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging. Verdachte lijdt aan schizofrenie en is verminderd toerekeningsvatbaar. Oplegging gevangenisstraf 8 maanden en tbs-maatregel met voorwaarden. Tevens maatregelen 38v en 38z Sr. Vorderingen tot schadevergoeding (gedeeltelijk) toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/229999-25 en 09/116168-25 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 5 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988, te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) [regio] te [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. van Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.A. Versteegh naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 09/229999-25, die is gewijzigd op de terechtzitting van 19 februari 2026 (hierna: dagvaarding I) en de dagvaarding met parketnummer 09/116168-25 (hierna: dagvaarding II). De tekst van beide dagvaardingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding I en dagvaarding II tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte partiële vrijspraak van het bij dagvaarding I tenlastegelegde bepleit. De raadsvrouw stelt dat de pleegperiode in 2019 en 2022 beperkt dient te worden tot medio 2020 tot september 2021 en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde periode in 2025. Met betrekking tot het bij dagvaarding II tenlastegelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverweging ten aanzien van het bij dagvaarding I tenlastegelegde feit

Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Onder die omstandigheden kan ook een eerdere inbreuk op de privacy van het slachtoffer worden betrokken bij de vaststelling of er sprake is van stelselmatig handelen van een verdachte.

Gelet op de bewijsmiddelen ziet de rechtbank, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, geen aanleiding om de eerste tenlastegelegde periode van 1 juni 2019 tot 11 januari 2022 te beperken.

Ook kunnen de handelingen van verdachte in de periode 14 april tot en met 27 juni 2025, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, niet los worden gezien van zijn handelingen in de periode 2019 tot 2022. In die eerste periode heeft de verdachte stelselmatig [aangeefster 1] benaderd bij haar werk, haar vele berichten gestuurd, een vriendin van haar benaderd om informatie over haar te verkrijgen, wekenlang frequent bloemen aan haar gestuurd, een (concept) testament opgemaakt waarin zij als begunstigde stond vermeld en dit aan haar getoond, een trouwring voor haar gekocht en is hij bij haar woning geweest. Dit alles terwijl het hem duidelijk was gemaakt dat [aangeefster 1] geen contact met hem wilde. Onder meer heeft begin februari 2021 een zogenoemd stopgesprek plaatsgevonden. Hoewel na voornoemde periode tijdens de opname van de verdachte het jaren rustig is geweest, vertonen de handelingen van verdachte van 14 april tot en met 27 juni 2025 (bij haar woning langskomen, bloemen sturen en contact zoeken met dezelfde vriendin van het slachtoffer) zozeer hetzelfde patroon, dat de rechtbank ook dit een stelselmatige belaging door de verdachte in die periode beschouwt.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

ten aanzien van dagvaarding I (09/229999-25)

hij in de periode van 1 juni 2019 tot en met 1 januari 2022 en wederom in de periode van 14 april 2025 tot en met 27 juni 2025 te Leiden en Noordwijk, en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster 1] , door

- die [aangeefster 1] veelvuldig op te zoeken op haar werkplek (te weten [bedrijfsnaam] ) en aldaar naar die [aangeefster 1] te vragen of contact met haar te zoeken of maken,

- die [aangeefster 1] veelvuldig na het werk van die [aangeefster 1] op te wachten en daarbij contact te zoeken of daarbij zijn liefde te verklaren aan die [aangeefster 1] ,

- die [aangeefster 1] veelvuldig te bellen,

- die [aangeefster 1] veelvuldig via social media berichten te sturen,

- meermalen bloemen en/of (daarbij) kaartjes (inhoudende liefdesverklaringen) of cadeaus aan die [aangeefster 1] te laten bezorgen,

- die [aangeefster 1] in zijn testament op te nemen en dit aan haar te tonen,

- een trouwring voor die [aangeefster 1] te kopen en aan die [aangeefster 1] te tonen,

- zich naar de omgeving van het woonadres van die [aangeefster 1] te begeven,

- een vriendin van die [aangeefster 1] (te weten: [naam 1] ) te benaderen om informatie te verkrijgen over die [aangeefster 1] en

- familieleden van die [aangeefster 1] (te weten: [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] ) te benaderen om informatie te verkrijgen over die [aangeefster 1]

met het oogmerk die [aangeefster 1] , te dwingen iets te doen en te dulden.

ten aanzien van dagvaarding II (09/116168-25)

hij op 14 april 2025 te Noordwijk [aangeefster 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [aangeefster 2] dreigend de woorden toe te voegen “Ik sla al je kankertanden eruit”.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was en op grond daarvan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank merkt allereerst op dat de vraag naar de toerekenbaarheid een juridische vraag betreft. Het gaat immers om het vaststellen van een strafuitsluitingsgrond. De vaststelling of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan is een juridisch oordeel dat voorbehouden is aan de strafrechter. Dat laat onverlet dat de strafrechter bij de beantwoording van die vraag gebruik kan maken van adviezen van gedragsdeskundigen. In deze zaak hebben beide deskundigen geadviseerd tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De strafrechter heeft echter een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. Aan de strafrechter komt een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het waarderen van de adviezen en het maken van een selectie uit die adviezen.

Om ontoerekeningsvatbaarheid aan te kunnen nemen moet worden voldaan aan drie vereisten. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. In de tweede plaats moet er een causaal verband bestaan tussen deze gebrekkige ontwikkeling of stoornis en het tenlastegelegde. Ten slotte moet de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis zodanig zijn dat zij aan toerekening van het strafbare feit aan de dader in de weg staan.

De rechtbank komt op basis van de rapportages van psychiater drs. [naam 5] van 27 november 2025 en GZ-psycholoog drs. [naam 6] van 5 december 2025 tot de vaststelling dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, te weten schizofrenie, een depressieve stoornis (volledig in remissie) en een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Ten tijde van het begaan van de strafbare feiten stonden symptomen van de schizofrenie op de voorgrond. Verdachte meende dat [aangeefster 1] werd geprostitueerd en werd uitgebuit door de mocromaffia. Hij meende de aangeefster hiervan te moeten redden. Beide deskundigen hebben zich op het standpunt gesteld dat er een causaal verband bestaat tussen de genoemde stoornissen en het tenlastegelegde. De rechtbank deelt dat standpunt, gelet op de onderbouwing daarvan.

Anders dan de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat er desondanks geen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, aangezien het ontstaan van de psychose waarin verdachte ten tijde van de feiten verkeerde, in ieder geval in de periode die ziet op april tot en met juni 2025, hem mede kan worden verweten. De rechtbank overweegt hiertoe dat de verdachte, zonder enig overleg met zijn behandelaren, in april 2025 is gestopt met de inname van zijn medicatie en daardoor opnieuw psychotisch is geworden. De rechtbank is van oordeel dat de psychotische toestand waarin verdachte ten tijde van de feiten in ieder geval in 2025 mede aan hemzelf te wijten is geweest. De verdachte heeft, ondanks de meerdere opnames die hij had gehad, ervoor gekozen om te stoppen met zijn medicatie, zonder overleg met een arts. Hij heeft hierbij niet om advies gevraagd.

Op grond van de deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt. Omdat van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte geen sprake is, is de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten strafbaar te achten.

6. Oplegging van de straf en maatregelen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd, met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, en dat deze tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr wordt opgelegd en een contact- en locatieverbod, als bedoeld in artikel 38v Sr. De officier van justitie heeft verzocht ook de maatregel ex 38v Sr dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, bij een bewezenverklaring, verzocht geen tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, omdat deze maatregel niet proportioneel en noodzakelijk is. In plaats daarvan heeft de verdediging verzocht om oplegging van een civielrechtelijk zorgkader of om een onderzoek of een zorgmachtiging mogelijk is op basis van artikel 2.3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Stalking heeft een grote impact op slachtoffers, die zich daardoor ernstig beperkt voelen in hun bewegingsvrijheid en constant geconfronteerd worden met het ongewenste contact. Het slachtoffer kampt door het langdurige ongewenste handelen van de verdachte nog steeds met gevoelens van angst en onveiligheid, zoals ook blijkt uit de namens haar voorgedragen verklaring ter terechtzitting. Daarnaast heeft de verdachte gedreigd de tanden uit de mond te slaan van het zusje van het slachtoffer, die destijds slechts 14 jaar oud was. De verdachte heeft op die manier ook voor veel angst gezorgd. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk.

Strafblad

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn strafblad van 28 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de al genoemde Pro Justitia-rapportages. De deskundigen concluderen in de rapportages dat de kans op recidive hoog is. Zij nemen daarbij in aanmerking dat de verdachte op termijn mijdgedrag of ambivalentie zal vertonen, omdat hij nog niet over voldoende ziektebesef beschikt. Daarnaast gaat het om hardnekkige psychopathologie die snel tot terugval in psychotische episodes kan leiden. Om dit te behandelen is volgens de deskundigen nodig dat de verdachte een langdurige intensieve behandeling ondergaat.

Om deze interventies te realiseren adviseren de deskundigen de rechtbank om de verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen. De deskundigen achten een dergelijke maatregel haalbaar, omdat betrokkende goed herstellende is van de psychotische episode, groeiend ziektebesef heeft en zich schaamt voor zijn gedragingen in de psychotische episodes.

In het reclasseringsadvies van 3 februari 2026 onderschrijft de reclassering het advies van de deskundigen om de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen. De reclassering schrijft in haar rapport dat de verdachte gemotiveerd is voor behandeling en medicatie om te voorkomen dat hij ooit weer psychotisch wordt. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld, mede gelet op zijn ziekte-inzicht en probleembesef. De reclassering voorziet dat het risico echter snel kan toenemen als de verdachte middelen gaat gebruiken of zijn anti psychotische mediatie niet consequent inneemt.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het inmiddels een stuk beter met hem gaat. Hij heef verklaard dat hij geen cannabis meer gebruikt, het fijn vindt dat hij medicatie krijgt middels een depot en dat zijn idee dat aangeefster werd uitgebuit een psychotische waan is.

Tbs met voorwaarden

Hoewel de rechtbank ter terechtzitting de indruk heeft gekregen dat het ten opzichte van april 2025 een stuk beter gaat met verdachte, is zij gelet op het ziektebeeld van de verdachte, de aard en ernst van de feiten en het recidiverisico van oordeel dat de verdachte een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen. Nu, zoals volgt uit het voorgaande, ook overigens is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden, zal de rechtbank in lijn met het advies van de deskundigen en de reclassering de maatregel van tbs met voorwaarden opleggen. De rechtbank zal bepalen dat de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar zal zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen. Het is van belang dat de behandeling direct wordt aangevangen.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen

Verder zal de rechtbank gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen opleggen. De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel als opgenomen in artikel 38z, eerste lid, Sr, nu verdachte ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in de artikelen 37a en 38 Sr en het ter bescherming van de algemene veiligheid van anderen nodig is dat na de tbs gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden. De rechtbank zal daarom een maatregel als opgenomen in artikel 38z, eerste lid Sr, opleggen. Daarnaast zal de rechtbank, ter voorkoming van belaging in de toekomst van de aangeefster, een contactverbod ten aanzien van aangeefster en haar familie en een locatieverbod voor de gemeente Noordwijk opleggen in de zin van artikel 38v Sr.

De rechtbank zal de maatregel (het contact- en locatieverbod) opleggen voor de duur van 5 jaren. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden. De rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat de verdachte zich jegens aangeefster belastend zal blijven gedragen en wederom een strafbaar feit zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat er naast de tbs-maatregel met voorwaarden ook nog een straf aan de verdachte moet worden opgelegd. De ernst en de duur van de feiten maken dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht (8) maanden passend en geboden. De rechtbank zal deze straf dan ook aan de verdachte opleggen. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Afwijzing verzoek schorsing

De raadsvrouw heeft verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank wijst het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis af, omdat de persoonlijke belangen van de verdachte bij een schorsing van de voorlopige hechtenis niet zwaarder wegen dan de strafvorderlijke belangen bij ononderbroken voorzetting van de vrijheidsbeneming. Gelet op de reeds genoemde problematiek, het recidiverisico en de tijd die nodig is om de begeleiding op te starten is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang dient te prevaleren.

7. De vordering van de benadeelde partijen

[aangeefster 1] en [aangeefster 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.

[aangeefster 1] vordert een schadevergoeding van € 17.495,36, te vermeerderen met de wettelijke rente, en verzoekt de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dit bedrag bestaat uit € 8.495,36 aan materiële schade en € 9.000,00 aan immateriële schade.

[aangeefster 2] vordert een schadevergoeding van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, en verzoekt ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gevorderde bedrag bestaat geheel uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de materiële schadevordering van [aangeefster 1] dient te worden afgewezen omdat het causale verband tussen de schade en het tenlastegelegde feit ontbreekt. Wat betreft beide immateriële schadevorderingen heeft de raadsvrouw gesteld dat deze dienen te worden gematigd.

Het oordeel van de rechtbank

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 1]

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade bestaande uit verlies van arbeidsvermogen (€ 5.845,36) en terugbetaling studiekosten (€ 2.650,00), zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Het causale verband tussen de schade en feit van dagvaarding I is namens de verdachte betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade kan op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit van dagvaarding I. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 4.000,00. Hierbij is, kijkend naar de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in het bijzonder rekening gehouden met het smartengeld passend bij de ‘ernstige’ categorie van belaging zoals omschreven in de Rotterdamse Schaal. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van [aangeefster 1] toewijzen tot een bedrag van € 4000,00, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 juni 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 2]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat [aangeefster 2] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit van dagvaarding II. Gelet op wat namens haar ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, haar jeugdige leeftijd en het feit dat de bedreiging zich in haar woning heeft afgespeeld, een plek waar zij zich juist veilig zou moeten voelen, acht de rechtbank de gevorderde immateriële schade van € 600,00 billijk en zal deze toewijzen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vorderingen van [aangeefster 1] (gedeeltelijk) en [aangeefster 2] (geheel) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Oplegging schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die hen door de feiten is toegebracht.

De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.000,00 ten behoeve van [aangeefster 1] , vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster 1] .

De rechtbank zal tevens aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 600,00 ten behoeve van [aangeefster 2] , vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster 2] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 36f, 37a, 38, 38a, 38v, 38w, 38z, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I (09/229999-25):

belaging;

ten aanzien van dagvaarding II (09/116168-25)

bedreiging met zware mishandeling

- verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;

- bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Tbs met voorwaarden

- gelast dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en stelt de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde:

1. dat de veroordeelde zich niet schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de terbeschikkinggestelde:

- zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

- één of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien. Dit is nodig om de identiteit van de terbeschikkinggestelde vast te stellen;

- zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

- de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- meewerkt aan huisbezoeken;

- de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

- meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, als dat van belang is voor het toezicht;

3. dat de veroordeelde niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat zonder toestemming van de reclassering;

4. dat de veroordeelde zich gedurende de maatregel of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling (FPK, FPA) te bepalen door de voor de plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikkinggestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

5. dat de veroordeelde zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal laten behandelen door een forensisch ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De ambulante behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling, welke is gericht op de problematiek zoals door de zorgverlener wordt vastgesteld. Het innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling;

6. dat de veroordeelde verblijft, indien de reclassering dat nodig vindt, in een forensische instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te bepalen door de reclassering, gedurende de maatregel of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Het start aansluitend aan de klinische opname. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

7. dat de veroordeelde voor een time-out kan worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zevenweken, tot maximaal veertien weken per jaar;

8. dat de veroordeelde geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De terbeschikkinggestelde moet meewerken aan controles, door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

9. dat de veroordeelde geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De terbeschikkinggestelde moet meewerken aan controles, door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

10. dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de aangeefster [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [naam 4] , [naam 2] of [naam 3] , tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;

11. dat de veroordeelde zich niet bevindt in de gemeente Noordwijk in de provincie Zuid-Holland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

Maatregel 38v Sr

- legt een vrijheidsbeperkende maatregel op op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren:

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) maand voor iedere keer dat één van de voornoemde verboden wordt geschonden, met een maximum van 6 (zes) maanden; met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

- beveelt dat de opgelegde maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is;

Maatregel 38z Sr

- legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] (dagvaarding I)

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] deels toe tot een bedrag van € 4.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1] ;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

- legt aan de veroordeelde op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] ;

- bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] (dagvaarding II)

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] toe tot een bedrag van € 600,00 en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 2] ;

- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

- legt aan de veroordeelde op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;

- bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,

mr. E. Rabbie, rechter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

ten aanzien van dagvaarding I (09/229999-25)

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 1 januari 2022 en/of (wederom) in de periode van 14 april 2025 tot en met 27 juni 2025 te Leiden en/of Noordwijk, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster 1] , door

- die [aangeefster 1] veelvuldig, althans meermalen, op te zoeken op haar werkplek (te weten [bedrijfsnaam] ) en/of aldaar naar die [aangeefster 1] te vragen en/of contact met haar te zoeken en/of maken,

- die [aangeefster 1] veelvuldig, althans meermalen, na het werk van die [aangeefster 1] op te wachten en/of (daarbij) telkens contact te zoeken en/of daarbij zijn liefde te verklaren aan die [aangeefster 1] ,

- die [aangeefster 1] veelvuldig, althans meermalen, te bellen,

- die [aangeefster 1] veelvuldig, althans meermalen, via social media berichten te sturen,

- meermalen, althans eenmaal, bloemen en/of (daarbij) kaartjes (inhoudende liefdesverklaringen) en/of cadeaus aan die [aangeefster 1] te laten bezorgen,

- die [aangeefster 1] in zijn testament op te nemen en/of dit aan haar te tonen,

- een (trouw)ring voor die [aangeefster 1] te kopen en/of aan die [aangeefster 1] te tonen,

- zich in de omgeving van het woonadres van die [aangeefster 1] te begeven,

- een of meer vrienden van die [aangeefster 1] (te weten: [naam 1] ) te benaderen om informatie te verkrijgen over die [aangeefster 1] en/of

- een of meer familieleden van die [aangeefster 1] (te weten: [naam 2] , [naam 3] en/of [naam 4] ) te benaderen om informatie te verkrijgen over die [aangeefster 1]

met het oogmerk die [aangeefster 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

ten aanzien van dagvaarding II (09/116168-25)

hij op of omstreeks 14 april 2025 te Noordwijk [aangeefster 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla al je kanker tanden eruit", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?