RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de Minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28442
geboren op [geboortedatum] ,
van Libische nationaliteit
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en
(gemachtigde: mr. J.B. Alberda).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat ten aanzien van de toepassing van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling (WI 2024/6). De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, zijnde de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, in stand laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 26 juni 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 27 april 1988. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
De minister heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, vergezeld door zijn broer, Moftah Awad El Sharif, geboren op 19 november 1978, en de echtgenote van eiser, mevrouw L.A.M. Harleman. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Een tolk was aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser had in Libië verschillende zaken, een bakkerij en een sportschool voor vrouwen. Hij ondervond daarmee problemen. De bakkerij is hem afgepakt, waarna eiser problemen kreeg met salafisten omdat hij een sportschool voor vrouwen had. Eiser is vervolgens in 2020 alcohol gaan verhandelen en zijn bedrijf deed het goed. Eiser had, los van wat kleine irritaties en problemen die hijzelf altijd oploste, weinig problemen met de milities. In maart 2023 werd eiser door zijn vertrouwde vriend Ahmed opgebeld die hem waarschuwde om niet meer naar zijn woning te komen. De militie van de familie [naam] heeft de woning en het bedrijf van eiser vernield. Eiser verklaart dat hij vermoord had kunnen worden als hij er naartoe was gegaan. Daarom is hij samen met zijn neef naar Tripoli gevlucht. Zijn vriend Ahmed vertelde eiser dat ze ook daar naar hem op zoek waren. Eiser verklaart dat hij bij terugkeer vermoord zal worden. Eind 2024 heeft dezelfde militie het ouderlijk huis vernield, waarna de vader van eiser medische problemen heeft ondervonden en in verband daarmee een medische behandeling heeft gehad in Egypte. Eiser heeft Libië op 10 mei 2023 verlaten. Eiser kwam op 15 mei 2023 in Nederland aan en heeft op 21 mei 2023 asiel aangevraagd.
Het bestreden besluit van 20 juni 2025
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit, herkomst;
- problemen met milities en de familie [naam] .
Eiser heeft de volgende documenten ingediend:
- certificaat van de burgerlijke stand;
- geboorteakte
- akte van huwelijkse voorwaarden van de notaris;
- inschrijving op adres van partner;
- bewijs van goedgekeurde zorgovereenkomst;
- declaratie van huwelijkse voorwaarden;
- afschrift bewijsovereenkomst;
- foto’s van vernielingen ouderlijk huis.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de problemen met de milities en de familie ongeloofwaardig zijn. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en daarvoor geen goede verklaring gegeven. Het geloofwaardig geachte asielmotief levert volgens de minister geen vluchtelingenschap op of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Libië. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw omdat eiser, nadat hij Nederland op 15 mei 2023 inreisde, pas op 18 mei 2023 asiel heeft aangevraagd. Eiser heeft zich daarom niet binnen 48 uur na aankomst gemeld. Van een verschoonbare reden is niet gebleken.
De nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling en WI 2024/6
5. Eiser voert, kort samengevat, aan dat de minister WI 2024/6 niet had mogen toepassen omdat dit beleid later is ingevoerd en nadelig is voor hem en de minister te laat op zijn asielaanvraag heeft beslist. Indien de minister tijdig een besluit had genomen dan was WI 2024/6 niet van toepassing geweest.
De rechtbank overweegt dat de minister bij het nemen van een besluit het recht dient toe te passen zoals dat geldt ten tijde van het nemen van het besluit, tenzij overgangsrecht uitdrukkelijk anders bepaalt. Het is niet gebleken dat voor de toepassing van WI 2024/6 overgangsrecht geldt op grond waarvan de minister gehouden was het oude beoordelingskader toe te passen op reeds lopende aanvragen. De enkele omstandigheid dat de besluitvorming lang heeft geduurd, maakt niet dat de minister gehouden was het eerdere beleid toe te passen. Voor zover eiser stelt dat de minister door het nieuwe beleid toe te passen in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, volgt de rechtbank hem evenmin. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem concrete toezeggingen zijn gedaan of dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat zijn asielaanvraag zou worden beoordeeld volgens het oude beoordelingskader. De minister heeft bovendien afdoende gemotiveerd toegelicht dat niet van eiser wordt verlangd dat hij zijn relaas volledig met objectieve documenten onderbouwt en dat bij het ontbreken daarvan een geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt.
De rechtbank overweegt verder het volgende. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 8 augustus 2025 uitspraak gedaan over de nieuwe werkwijze van de minister voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit deze uitspraak volgt, kort samengevat, dat de minister niet steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief niet geloofwaardig is als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden niet wordt voldaan. De minister dient duidelijk te maken of en aan welke van de cumulatieve voorwaarden is voldaan en moet ook duidelijk maken of er niet aan is voldaan. De rechtbank heeft verder ook overwogen dat het voordeel van de twijfel aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas dient te worden onderzocht. De minister dient aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas derhalve nog een integrale beoordeling te maken, waarin beoordeeld wordt of, alles overziende, de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet worden gegund en of geconcludeerd kan worden dat het asielrelaas als geheel geloofwaardig is.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de geloofwaardigheid heeft beoordeeld volgens WI 2024/6 en aan eiser de voorwaarden c en d van artikel 31, zesde lid, Vw, heeft tegengeworpen. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit niet kenbaar blijkt of de minister de overige cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, Vw afzonderlijk heeft beoordeeld en wat de invloed daarvan is geweest op de algehele geloofwaardigheid. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit dat de minister na afloop van deze beoordeling nog een kenbare integrale beoordeling heeft verricht van het asielrelaas als geheel. Omdat deze motivering ontbreekt, is onduidelijk hoe de minister tot zijn eindconclusie over de geloofwaardigheid is gekomen. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Om die reden is het beroep daarom gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Dat, zoals uiteen is gezet in het verweerschrift van 10 oktober 2025, de minister zich niet kan verenigen met de door de meervoudige kamer gegeven uitleg van het Unierecht en de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling en daartegen hoger beroep heeft ingesteld, maakt dit niet anders. Zolang de Afdeling zich hierover niet heeft uitgelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding om van de lijn van de meervoudige kamer van deze rechtbank af te wijken. .
De rechtbank zal gelet op het voorgaande het bestreden besluit vernietigen, maar ziet in het hiernavolgende aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is tot stand gekomen, omdat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoekplicht en zich te passief heeft opgesteld tijdens het nader gehoor. Volgens eiser is er geen nader onderzoek gedaan naar wat er precies is gebeurd met de milities en de alcoholhandel in Libië en is er teveel gewicht toegekend aan het ontbreken van documenten.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het bestreden besluit blijkt dat bij de beoordeling van de aanvraag niet uitsluitend is uitgegaan van de verklaringen van eiser, maar dat tevens landeninformatie, ambtsberichten en de door eiser overgelegde documenten zijn betrokken. Daarmee heeft de minister invulling gegeven aan de op hem rustende samenwerkings- en onderzoekplicht. De minister stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat het in de eerste plaats aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en dat van hem mag worden verwacht dat hij alle relevante feiten en omstandigheden naar voren brengt, en, waar mogelijk, met documenten onderbouwt. Eisers betoog dat onvoldoende is doorgevraagd over zijn verklaringen over de betrokken milities, faalt omdat de minister van eiser mocht verwachten dat hij zijn verklaringen daarover zo volledig en concreet mogelijk naar voren brengt. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser daarin niet is geslaagd. Evenmin is door eiser aannemelijk gemaakt hoe op de door eiser aangehaalde punten nader onderzoek tot een ander besluit had moeten leiden.
De geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede asielmotief
6. Eiser voert aan, kort samengevat, dat de minister zijn verklaringen over de problemen met milities en de vernieling van de woning van zijn ouders ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens eiser is onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke veiligheidssituatie in Libië en met het bestaan van verschillende milities die in wisselende samenstellingen opereren. Hij stelt dat hij wel degelijk concreet en consistent heeft verklaard over de bedreigingen door de [naam] familie en de daaraan gelieerde militie en dat hij gedurende twee maanden ondergedoken heeft verbleven in Tripoli. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte aangenomen dat hij geen gevaar liep omdat hij in Tripoli tijdelijk zonder problemen heeft verbleven. Verder stelt eiser dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zijn verklaringen grotendeels zijn gebaseerd op aannames, nu hij informatie over dreigende aanvallen via zijn vriend Ahmed heeft ontvangen. Volgens eiser is dit in de gegeven omstandigheden een reële en gebruikelijke wijze van informatievoorziening. Ook stelt eiser dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat de vernieling van de woning van zijn ouders verband hield met het verkrijgen van de grond door de militie en dat van tegenstrijdige verklaringen tussen hem en zijn neef geen sprake is.
Eisers beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen onvoldoende samenhangend en aannemelijk zijn. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser zijn gestelde problemen met milities in belangrijke mate baseert op informatie van derden en op veronderstellingen over mogelijke acties van milities zonder dat hij concrete en verifieerbare aanknopingspunten heeft kunnen geven waaruit blijkt dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht van enige specifieke militie stond. Dat eiser stelt dat in Libië sprake is van een complex en gefragmenteerd militiesysteem, maakt dit niet anders, nu van hem in het kader van een asielprocedure mag worden verwacht dat hij zijn persoonlijke problemen en de daarop gebaseerde vrees zo concreet mogelijk onderbouwt.
De minister heeft niet ten onrechte van belang geacht dat eiser gedurende langere tijd namelijk in de jaren 2020 tot en met 2023, zonder noemenswaardige problemen in zijn woonplaats heeft kunnen verblijven en werken en dat hij ook in Tripoli enige tijd heeft verbleven zonder dat is gebleken van concrete incidenten of pogingen om hem op te sporen. Dat eiser stelt dat hij gedurende die periode ondergedoken heeft gezeten en dat milities onderling samenwerken, heeft de minister in dit verband onvoldoende mogen vinden.
Ten aanzien van de gestelde vernieling van de woning van zijn ouders heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser hierover wisselend en vaag heeft verklaard. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser enerzijds verklaart dat milities naar hem op zoek waren en anderzijds dat de woning is vernield omdat de militie het huis van zijn ouders wilde verkrijgen. De minister stelt terecht dat dan niet valt in te zien dat de milities de voorgevel van het huis van zijn ouders hebben verwoest, nu, volgens eiser, de milities het huis van zijn ouders juist willen hebben. Een eenduidige verklaring van eiser hierover is uitgebleven.
Ook heeft de minister in zijn beoordeling mogen betrekken dat de verklaringen van eiser op onderdelen afwijken van die van zijn neef, onder meer over de aanleiding voor de gestelde problemen met de milities en de reden voor vernieling van de woning. Hoewel eiser verklaart dat de milities jaloers op hem waren, hem persoonlijk zochten en dat ze hem als concurrentie zagen, verklaart de neef van eiser dat de gestelde problemen zijn ontstaan omdat eiser nooit betaalde aan de milities. Dat eiser stelt dat deze verklaringen elkaar niet uitsluiten omdat het de milities om de grond te doen zou zijn en de verwoesting van de woning daarmee logisch is, neemt niet weg dat de minister eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij op verschillende momenten uiteenlopend heeft verklaard over het motief ofwel de reden van de vernieling en dat dat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van dit asielmotief.
Eiser stelt dat de minister de correcties en aanvullingen van zijn neef niet, althans niet kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. Dit volgt de rechtbank niet. De minister is op bladzijde vijf van het bestreden besluit uitdrukkelijk gemotiveerd ingegaan op de door de neef ingediende correcties en aanvullingen die onder meer zien op de aanleiding voor de gestelde problemen met de milities en de vernieling van de woning. Ook heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom deze verklaringen niet tot een ander standpunt leiden. Voor zover eiser betoogt dat de minister de correcties en aanvullingen van de neef als zijn eigen correcties en aanvullingen beschouwt, faalt ook dit betoog. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister van een dergelijke onjuiste veronderstelling is uitgegaan.
Artikel 15c en artikel 3 EVRM-Libië
7. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRM. Volgens eiser volgt uit diverse door hem aangehaalde nieuws- en landeninformatie over de veiligheidssituatie in Libië, en uit het feit dat andere Europese landen de veiligheidssituatie in Libië wel degelijk voldoet aan de criteria van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft uiteengezet dat gelet op het meest recente algemeen ambtsbericht Libië 2025 en de daarop gebaseerde beleidswijziging er ten aanzien van Libië nieuw landenbeleid is. Deze beleidswijziging heeft plaatsgevonden na het bestreden besluit en het nadere standpunt van de minister wordt door de rechtbank meegenomen bij de beoordeling van eisers beroepsgrond. Eiser wordt hierdoor bovendien niet in zijn verdedigingsrechten geschaad.
De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van het Algemeen Ambtsbericht Libië 2025 aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in Tripoli zodanig hoog is dat een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Voor het noordwesten van Libië (inclusief Tripoli) en Benghazi is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarom dient eiser individuele omstandigheden aannemelijk te maken die leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank kan de minister, mede gelet op het ongeloofwaardig mogen vinden van eisers gestelde problemen met het werk van zijn oom, volgen in zijn standpunt dat eiser geen individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn of artikel 3 EVRM. De in het verweerschrift verrichte actuele ’15c-beoording’ is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Libië 2025 en is in lijn met de meest recente jurisprudentie van de Afdeling. De verwijzing van eiser naar een niet nader aangeduide uitspraak over Libië en artikel 15c van negen jaar geleden, waarvan niet is gebleken dat deze ziet op de actuele situatie, evenals de verwijzing naar de artikelen en algemene informatie over de veiligheidssituatie, maken het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Kennelijk ongegrond-niet tijdig melden
8. De minister heeft de asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, Vw. De minister stelt vast dat eiser op 15 mei 2023 Nederland is binnengekomen en zich eerst op 18 mei 2023 heeft gemeld om asiel aan te vragen. Daarmee heeft eiser zich niet binnen 48 uur na binnenkomst gemeld, zoals volgt uit deze bepaling, in samenhang bezien met paragraaf C2/7.8 Vc.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat van een vreemdeling die stelt bescherming nodig te hebben, mag worden verwacht dat hij zich zo spoedig mogelijk meldt. Dat heeft eiser, ook al gaat het om drie dagen, niet gedaan en dat heeft de minister eiser mogen tegenwerpen. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat eiser het toepasselijke beleid niet heeft betwist en evenmin een plausibele verklaring heeft gegeven voor de te late melding. De minister heeft de aanvraag daarom als kennelijk ongegrond mogen afwijzen.
Artikel 8 EVRM
9. De minister heeft in het verweerschrift aangegeven dat een door eiser ingediende reguliere aanvraag is ingewilligd op 23 december 2025 en dat aan hem een verblijfsvergunning regulier is verleend. Ter zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven, dat de gronden die op dit onderdeel betrekking hebben, worden ingetrokken en derhalve geen bespreking meer behoeven.
Conclusie en gevolgen
10. Gelet op wat is overwogen onder 5.3. is het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw en geen recht heeft op een asielvergunning. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, zijnde de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond, in stand blijven.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 juni 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.