ECLI:NL:RBDHA:2026:4271

ECLI:NL:RBDHA:2026:4271

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer NL25.18636
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

asiel, Libië, beroep gegrond wegens motiveringsgebrek nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling, besluit vernietigd maar rechtsgevolgen van vernietigde besluit in stand gelaten zijnde afwijzing asielaanvraag als kennelijk ongegrond, asielrelaas ongeloofwaardig, actuele 15c beoordeling in verweer gebaseerd op ambtsbericht Libië 2025 en meest recente jp, geen aanleiding om op grond van ambtsbericht uitzonderlijke situatie aan te nemen voor noordwesten Libië, ten aanzien van noordwesten Libië (waaronder Tripoli en Benghazi) geldt dat sprake is relatief lager niveau van willekeurig geweld, individuele omstandigheden niet aannemelijk gemaakt, kennelijk ongegrond wegens niet tijdig melden (artikel 30b, eerste lid, onder h, Vw).

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de Minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18636

geboren op [geboortedatum] ,

van Libische nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),

en

(gemachtigde: mr. J.B. Alberda).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat ten aanzien van de toepassing van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling (WI 2024/6). De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, zijnde de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, in stand laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 april 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

De minister heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.

De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, vergezeld door zijn oom Moftah Awad El Sharif, geboren op 19 november 1978. De echtgenote van Ashraf Miftah Awad Alshareef (de oom van eiser), mevrouw L.A.M. Harleman was eveneens aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Een tolk was aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij eind mei 2022 is begonnen met de verkoop van alcohol voor het bedrijf van zijn oom. Verkoop van alcohol in Libië is wettelijk verboden, maar de milities die de macht hebben, hebben dit laten gebeuren in ruil voor een percentage van de opbrengst. Eiser woonde eerst bij zijn opa en oma en is eind 2022 verhuisd naar het bedrijfspand van zijn oom. In de periode van februari 2023 is een poging gedaan om eiser te ontvoeren. In maart 2023 is eiser met zijn oom naar Tripoli vertrokken, waarna hij in mei 2023 Libië heeft verlaten. In 2024 zijn milities bij het huis van zijn grootouders geweest, op zoek naar eiser en zijn oom. Zij hebben het huis van zijn grootouders verwoest. Ter ondersteuning hiervan heeft eiser een zestal foto’s ingediend. Eiser vreest bij terugkeer voor de milities en de handelaren.

Eiser heeft verschillende documenten ingebracht waaronder:

- een Libisch rijbewijs,

- een geboorteakte,

- kopie van een pagina uit het paspoort,

- foto’s van de uitnodiging van een Spaanse voetbalclub,

- foto’s van een training in Tunesië en

- bonnetje behandeling ziekenhuis St. James in Malta.

Het bestreden besluit van 16 april 2025

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen vanwege het werk van de oom van eiser.

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Het tweede asielmotief, de problemen vanwege het werk van de oom van eiser is ongeloofwaardig en er is geen aanleiding om eiser het voordeel van de twijfel te gunnen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden c en d. De asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is op 15 mei 2023 Nederland ingereisd en heeft pas op 18 mei 2023 asiel aangevraagd. De minister stelt op grond daarvan vast dat eiser zich niet binnen 48 uur na aankomst in Nederland heeft gemeld voor asiel en daarvoor geen verschoonbare reden heeft aangegeven.

6. Eiser stelt dat het opmerkelijk is dat zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen terwijl de asielprocedure van zijn oom in de verlengde asielprocedure is behandeld en, volgens eiser, beide procedures elkaar wederzijds ondersteunen.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister dient iedere asielaanvraag op de eigen merites te beoordelen aan de hand van de individuele verklaringen en omstandigheden van de betreffende vreemdeling. Dat sprake is van een familierelatie en dat de verklaringen van eiser en zijn oom gedeeltelijk met elkaar verband houden, maakt niet dat de minister gehouden was de aanvraag van eiser ook in de verlengde asielprocedure te behandelen en te beoordelen.

De nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling en WI 2024/6

7. Eiser voert, kort samengevat, aan dat de minister WI 2024/6 niet had mogen toepassen omdat dit beleid later is ingevoerd en nadelig is voor hem en de minister te laat op zijn asielaanvraag heeft beslist. Indien de minister tijdig een besluit had genomen dan was WI 2024/6 niet van toepassing geweest.

De rechtbank overweegt dat de minister bij het nemen van een besluit het recht dient toe te passen zoals dat geldt ten tijde van het nemen van het besluit, tenzij overgangsrecht uitdrukkelijk anders bepaalt. Het is niet gebleken dat voor de toepassing van WI 2024/6 overgangsrecht geldt op grond waarvan de minister gehouden was het oude beoordelingskader toe te passen op reeds lopende aanvragen. De enkele omstandigheid dat de besluitvorming lang heeft geduurd, maakt niet dat de minister gehouden was het eerdere beleid toe te passen. Voor zover eiser stelt dat de minister door het nieuwe beleid toe te passen in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, volgt de rechtbank hem evenmin. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem concrete toezeggingen zijn gedaan of dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat zijn asielaanvraag zou worden beoordeeld volgens het oude beoordelingskader. De minister heeft bovendien afdoende gemotiveerd toegelicht dat niet van eiser wordt verlangd dat hij zijn relaas volledig met objectieve documenten onderbouwt en dat bij het ontbreken daarvan een geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt.

De rechtbank overweegt verder het volgende. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 8 augustus 2025 uitspraak gedaan over de nieuwe werkwijze van de minister voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit deze uitspraak volgt, kort samengevat, dat de minister niet steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief niet geloofwaardig is als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden niet wordt voldaan. De minister dient duidelijk te maken of en aan welke van de cumulatieve voorwaarden is voldaan en moet ook duidelijk maken of er niet aan is voldaan. De rechtbank heeft verder ook overwogen dat het voordeel van de twijfel aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas dient te worden onderzocht. De minister dient aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas derhalve nog een integrale beoordeling te maken, waarin beoordeeld wordt of, alles overziende, de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet worden gegund en of geconcludeerd kan worden dat het asielrelaas als geheel geloofwaardig is.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de geloofwaardigheid heeft beoordeeld volgens WI 2024/6 en aan eiser de voorwaarden c en d van artikel 31, zesde lid, Vw, heeft tegengeworpen. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit niet kenbaar blijkt of de minister de overige cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, Vw afzonderlijk heeft beoordeeld en wat de invloed daarvan is geweest op de algehele geloofwaardigheid. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit dat de minister na afloop van deze beoordeling nog een kenbare integrale beoordeling heeft verricht van het asielrelaas als geheel. Omdat deze motivering ontbreekt, is onduidelijk hoe de minister tot zijn eindconclusie over de geloofwaardigheid is gekomen. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Om die reden is het beroep daarom gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Dat, zoals uiteen is gezet in het verweerschrift van 10 oktober 2025, de minister zich niet kan verenigen met de door de meervoudige kamer gegeven uitleg van het Unierecht en de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling en daartegen hoger beroep heeft ingesteld, maakt dit niet anders. Zolang de Afdeling zich hierover niet heeft uitgelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding om van de lijn van de meervoudige kamer van deze rechtbank af te wijken. .

8. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het bestreden besluit vernietigen, maar ziet in het hiernavolgende aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

9. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is tot stand gekomen, omdat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoekplicht en zich te passief heeft opgesteld tijdens het nader gehoor. Volgens eiser is er geen nader onderzoek gedaan naar wat er precies is gebeurd met de milities en de alcoholhandel in Libië en is er teveel gewicht toegekend aan het ontbreken van documenten.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het bestreden besluit blijkt dat bij de beoordeling van de aanvraag niet uitsluitend is uitgegaan van de verklaringen van eiser, maar dat tevens landeninformatie, ambtsberichten en de door eiser overgelegde documenten zijn betrokken. Daarmee heeft de minister invulling gegeven aan de op hem rustende samenwerkings- en onderzoekplicht. De minister stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat het in de eerste plaats aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en dat van hem mag worden verwacht dat hij alle relevante feiten en omstandigheden naar voren brengt, en, waar mogelijk, met documenten onderbouwt. Eisers betoog dat onvoldoende is doorgevraagd over zijn verklaringen over de betrokken milities, faalt omdat de minister van eiser mocht verwachten dat hij zijn verklaringen daarover zo volledig en concreet mogelijk naar voren brengt. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser daarin niet is geslaagd. Evenmin is door eiser aannemelijk gemaakt hoe op de door eiser aangehaalde punten nader onderzoek tot een ander besluit had moeten leiden.

De geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede asielmotief

10. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser de gestelde problemen vanwege het werk van zijn oom niet heeft onderbouwd met documenten en dat eisers beroepsgrond in dit verband niet slaagt. Uit het bestreden besluit volgt verder ook dat de minister niet heeft verlangd dat eiser zijn asielrelaas volledig met officiële documenten moet onderbouwen. Eiser dient zijn gestelde problemen aannemelijk te maken aan de hand van zijn verklaringen, maar heeft dit onvoldoende gedaan. De minister heeft de gestelde problemen van de oom van eiser met de milities ongeloofwaardig mogen vinden. De rechtbank wijst in dit verband ook naar de overwegingen in de uitspraak over zaaknummer NL25.28442.

Bekendheid bij milities

De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser wisselend, tegenstrijdig en onsamenhangend over de problemen met de milities heeft verklaard. Zo kan eiser niet uitleggen of hij op een lijst van gezochte personen staat en weet hij niet of de handelaren zijn naam en foto aan de milities hebben gegeven. Ook heeft eiser verklaard dat hijzelf geen problemen had. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn met zijn eerdere verklaringen waarin eiser aangaf dat hij gedood zal worden en dat de handelaren hem probeerden te ontvoeren. De minister stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat uit deze verklaringen volgt dat eiser niet weet of hij wordt gezocht. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde problemen met de milities en handelaren zijn gebaseerd op aannames. Eiser heeft verklaard dat hij vreest voor de milities omdat zij denken dat hij een handelaar van alcohol is. Eiser heeft verklaard dat de milities misschien denken dat hij een partner is van zijn oom en dat de handelaren het geld van zijn oom terug wilden hebben. Eiser heeft verklaard dat de milities dachten dat hij ook samen heeft gewerkt en zaken heeft gedaan. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen duidelijke uitleg kan geven waarom hij denkt dat de handelaren hun geld terug willen hebben. Anders dan eiser stelt, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht staat van milities. Dat eiser leveringen verrichtte voor zijn oom betekent niet zonder meer dat zijn naam of identiteit bij de milities bekend is. De stelling dat dit zo is, is gebaseerd op aannames en niet op concrete aanwijzingen. De informatie van een derde, de informatie die eiser kreeg van [naam] over het zoeken naar eiser is niet verifieerbaar, zodat de minister daar beperkt gewicht aan heeft mogen toekennen. De minister heeft ook eisers verblijf in Tripoli gedurende twee maanden zonder dat eiser daar concrete problemen heeft ondervonden, mogen betrekken bij de beoordeling. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom en hoe hij, indien hij daadwerkelijk gezocht werd door de milities, gedurende die periode geen problemen heeft gehad. Dat andere milities de macht hebben in Tripoli en hij daar ondergedoken zat, heeft de minister onvoldoende mogen vinden.

Vernieling van de woning

De minister heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over de vernieling van de woning van het huis van zijn opa en oma. Eiser heeft daarover enerzijds verklaard dat de woning in 2024 is verwoest als gevolg van een inval. Ter ondersteuning hiervan zijn de foto’s ingebracht. Anderzijds verklaart eiser dat de vernieling verband houdt met plannen om de grond te gebruiken voor toerisme. De oom van eiser heeft in zijn nader gehoor verklaard dat de milities het huis wilden hebben omdat het een groot huis is op een toeristische plek. Dat eiser stelt dat deze verklaringen elkaar niet uitsluiten omdat het de milities om de grond te doen zou zijn en de verwoesting van de woning daarmee logisch is, neemt niet weg dat de minister eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij op verschillende momenten wisselend heeft verklaard over de reden van de vernieling en dat dat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de milities. Aan de foto’s heeft de minister beperkt gewicht mogen toekennen nu daaruit niet valt op te maken dat het om het huis van de grootouders van eiser gaat en ook niet duidelijk wordt wie het huis heeft vernield.

Ontvoering

11. De minister heeft voorts terecht gewezen op tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiser en die van zijn oom over de gestelde ontvoeringspoging. Enerzijds verklaart eiser dat begin 2023 een poging is gedaan om hem te ontvoeren. Eiser verklaart dat hij thuis was en dat hij naar zijn auto wilde gaan. Toen hij wilde instappen, kwam er een auto aan met getinte ramen met hoge snelheid. De mensen in de auto wilden eiser meenemen, maar hij rende weg. Eiser verklaart ook dat de reden dat hij weet dat zij voor hem kwamen, was dat zij naast hem waren gestopt. Anderzijds verklaart de oom van eiser dat eiser in februari 2023 in de stad aan het rijden was, toen hem opviel dat steeds dezelfde auto achter hem reed en dat deze eiser probeerde te laten stoppen. Andere mensen hebben dit gezien en eiser reed hard weg door de ontvoerders en de omstanders heen. Dat de verklaringen later in de correcties en aanvullingen zijn aangepast, maakt het voorgaande niet anders.

Artikel 15c en artikel 3 EVRM-Libië

12. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRM. Volgens eiser volgt uit diverse door hem aangehaalde nieuws- en landeninformatie over de veiligheidssituatie in Libië, en uit het feit dat andere Europese landen de veiligheidssituatie in Libië wel degelijk voldoet aan de criteria van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft uiteengezet dat gelet op het meest recente algemeen ambtsbericht Libië 2025 en de daarop gebaseerde beleidswijziging er ten aanzien van Libië nieuw landenbeleid is. Deze beleidswijziging heeft plaatsgevonden na het bestreden besluit en het nadere standpunt van de minister wordt door de rechtbank meegenomen bij de beoordeling van eisers beroepsgrond. Eiser wordt hierdoor bovendien niet in zijn verdedigingsrechten geschaad.

De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van het Algemeen Ambtsbericht Libië 2025 aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in Tripoli zodanig hoog is dat een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Voor het noordwesten van Libië (inclusief Tripoli) en Benghazi is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarom dient eiser individuele omstandigheden aannemelijk te maken die leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank kan de minister, mede gelet op het ongeloofwaardig mogen vinden van eisers gestelde problemen met het werk van zijn oom, volgen in zijn standpunt dat eiser geen individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn of artikel 3 EVRM. De in het verweerschrift verrichte actuele ’15c-beoording’ is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Libië 2025 en is in lijn met de meest recente jurisprudentie van de Afdeling. De verwijzing van eiser naar een niet nader aangeduide uitspraak over Libië en artikel 15c van negen jaar geleden, waarvan niet is gebleken dat deze ziet op de actuele situatie, evenals de verwijzing naar de artikelen en algemene informatie over de veiligheidssituatie, maken het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

Kennelijk ongegrond-niet tijdig melden

13. De minister heeft de asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, Vw. De minister stelt vast dat eiser op 15 mei 2023 Nederland is binnengekomen en zich eerst op 18 mei 2023 heeft gemeld om asiel aan te vragen. Daarmee heeft eiser zich niet binnen 48 uur na binnenkomst gemeld, zoals volgt uit deze bepaling, in samenhang bezien met paragraaf C2/7.8 Vc.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat van een vreemdeling die stelt bescherming nodig te hebben, mag worden verwacht dat hij zich zo spoedig mogelijk meldt. Dat heeft eiser, ook al gaat het om drie dagen, niet gedaan en dat heeft de minister eiser mogen tegenwerpen. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat eiser het toepasselijke beleid niet heeft betwist en evenmin een plausibele verklaring heeft gegeven voor de te late melding. De minister heeft de aanvraag daarom als kennelijk ongegrond mogen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op wat is overwogen onder 7.3. is het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw en geen recht heeft op een asielvergunning. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, zijnde de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond, in stand blijven.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 16 april 2025;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekend gemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?