[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Harmanci),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. W.J. Poot).
Inleiding
In het besluit van 23 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige afgewezen.
Verzoeker heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
In het besluit van 10 juli 2025 heeft verweerder beslist op het bezwaar van verzoeker. Verzoeker heeft daartegen beroep (AWB 25/14779) ingesteld. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het verzoek gelijkgesteld met een verzoek hangende het beroep.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Op 23 februari 2026 heeft verzoeker het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft ingetrokken. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 februari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.